De universele spreuk

Over gebrabbel gesproken: als er één woord is waarmee u de wereld rond kunt, is het tata. Dat is een klankrij die vrijwel alle mensen over de hele wereld herkennen en kunnen produceren, ook al betekent het woord in de meeste talen öö zoals het Nederlands öö weinig of niets. Als u aan een willekeurige nietöNederlandstalige persoon vraagt om het woord huig te herhalen, zal hij er bedremmeld het zwijgen toe doen. Maar vraag hem het woord tata te herhalen en hij begint meteen te stralen.

Wat is er nu zo bijzonder aan dat woord? Wat heeft tata dat huig niet heeft? Aan de betekenis kan het niet liggen dus moeten we het kennelijk zoeken in de vorm. Die is dan ook in alle opzichten ideaal.

Allereerst bestaat het woord uit twee lettergrepen. Dat is zo'n beetje het volmaakte aantal voor een woord ÷ niet te lang en niet te kort. Talen hebben de neiging om al te lange woorden in te korten. Biologie wordt dan bio, politie wordt plisie. Te korte woorden, dat wil zeggen woorden van één lettergreep, worden in veel talen domweg verboden. Het Japans of het Lardil (een taal van de aboriginals in Australië) bijvoorbeeld hebben geen woorden van minder dan twee lettergrepen. Een woord als thee kan in die talen niet bestaan. Het bestaat in het Nederlands natuurlijk wel, net zoals de woorden sta, mop, fruit en kniel.

Toch is er met de Nederlandse eenlettergrepige woorden wel iets bijzonders aan de hand. Zo hebben ze de neiging om in het meervoud alsnog twee lettergrepen te tellen. In het Nederlands zijn er ruwweg twee populaire manieren om het meervoud te vormen van een woord: met -en of met -s. Het meervoud van familie is families, het meervoud van genie is genieën. Nu krijgen eenlettergrepige woorden vrijwel nooit een meervoud op -s. Typische Nederlandse meervouden zijn knieën en drieën, niet *knies en *dries.

Wat kan de oorzaak daarvan zijn? Het zou iets te maken kunnen hebben met de meer algemene neiging van talen om woorden twee lettergrepen te laten tellen. Enkelvoudige woorden in het Nederlands kunnen soms aan deze eis ontsnappen. De reden daarvoor zo kunnen zijn dat er toch niets aan te doen is. Maar bij het maken van een meervoud hebt u een keus: u kunt een lettergreep toevoegen met -en en u kunt het aantal lettergrepen op één houden door alleen een -s toe te voegen. En dan kiest het Nederlands kennelijk meestal toch voor de eerste mogelijkheid.

Dat is allemaal mooi en aardig, zult u zeggen, maar hoe zit het dan met het woord genie? Dat heeft immers al die bijna volmaakte vorm van twee lettergrepen? En toch neemt dat woord in het meervoud een extra lettergreep erbij en wordt, minder volmaakt, genieën in plaats van *genies. Dat is goed opgemerkt. Het zijn niet zomaar twee lettergrepen die een woord ideaal maken, er is ook nog een kleine variatie tussen talen mogelijk. Dat komt doordat alle talen, zodra er twee lettergrepen naast elkaar staan aan een van die lettergrepen klemtoon meegeven. En dat is de keuze kunnen talen verschillen. Sommige talen kiezen dan voor de eerste lettergreep, andere talen voor de tweede.

Het Nederlands is nu een taal die kiest voor de eerste lettergreep. Deze voorkeur is er de oorzaak van dat u, toen u in uw hoofd klemtoon aan het onzinwoord tata moest geven, koos voor táta in plaats van tatá. Als u bijvoorbeeld een Fransman was geweest had u zonder twijfel voor de laatste mogelijkheid gekozen.

In ieder geval voldoet genie niet aan het profiel van een ideaal Nederlands woord. Een woord als appel of vader komt daar veel dichter bij in de buurt. Nu hebben inderdaad vrijwel al deze woorden een meervoud met -s. En als ze dat in het huidige Standaardnederlands niet doen, zijn ze vaak bezig te veranderen in de richting van de ideale vorm. De meervouden appelen en vaderen bestaan toevallig wel, maar ze klinken veel ouderwetser dan appels of vaders.

Wat het aantal lettergrepen betreft is tata dus een ideaal woord. Ook de vorm van de twee lettergrepen zelf is vrijwel perfect. Ze bestaan uit een medeklinker gevolgd door een klinker. Dat is uit allerlei oogpunten bezien de aantrekkelijkste lettergreep.

In de eerste plaats hebben alle talen van de wereld zulke lettergrepen, al hebben de meeste ook andere. Het Nederlands heeft bijvoorbeeld ook lettergrepen die bestaan uit alleen een klinker (a), uit een klinker gevolgd door een medeklinker (at), uit twee medeklinkers gevolgd door een klinker (tra), en zo nog een aantal soorten. Geen van deze lettergreeptypen is universeel. Zelfs de toch uitermate eenvoudige lettergreep met alleen een klinker lijkt in sommige talen te ontbreken. Maar de combinatie van een medeklinker gevolgd door een klinker hebben ze allemaal. Dit soort lettergreep wordt daarom door taalkundigen kernlettergreep genoemd.

Een andere reden om te denken dat kernlettergrepen bijzonder zijn, is dat lettergrepen soms vereenvoudigd worden. Zoân vereenvoudiging gaat dan altijd in de richting van een kernlettergreep. Net zoals het aantal lettergrepen in een vereenvoudigd woord wordt teruggebracht tot twee, zo wordt de lettergreep zelf teruggebracht tot de simpele combinatie van een medeklinker gevolgd door een klinker. Het Japans geeft heel sterk toe aan deze neiging. Toen de Japanners het woord mast van ons overnamen, maakten ze er masuto van.

Maar ook Nederlanders zijn wel gevoelig voor deze neiging. Het woord klinker wordt dan uitgesproken als kelinker, praten als peraten. Het aantal lettergrepen wordt in deze woorden zelfs groter dan twee, maar dat schijnt niet eens uit te maken.

Het aantal lettergrepen in tata is dus perfect, de lettergrepen zelf hebben ook een ideale vorm. Daarmee zijn we nog steeds niet klaar met onze lofzang op dit prachtige woord, want ook de klanken t en aa zijn de volmaaktheid nabij. Wat betreft de aa heb ik dat al in het vorige hoofdstuk laten zien; het is een van de drie primaire klinkers in de punten van de klinkerdriehoek. Over de t wil ik het hier nog even hebben.

De t is in een aantal opzichten de ideale medeklinker. In de eerste plaats is hij coronaal. Dat betekent dat hij uitgesproken wordt bij de tanden. Behalve de coronale plaats maakt het Nederlands gebruik van nog twee andere plaatsen van articulatie voor medeklinkers: de labiale plaats (bij de lippen, waar ook onder andere de f, de b en de m worden uitgesproken) en de velaire plaats, die achter in de mond ligt, waar dan de achterkant van de tong tegenaan wordt gelegd, zoals gebeurt bij de k, de g en de ng.

Als we nu de verschillende medeklinkers op deze manier classificeren, dan zien we meteen dat de velaire plaats onder de klinkers de minst populaire is:

coronaal:t, d, s, z, n, l

labiaal:p, b, f, v, m

velair:k, g, ch, ng

Het Nederlands heeft nog enkele medeklinkers die moeilijker in dit schema zijn te plaatsen, omdat ze géén of een onduidelijke plaats van articulatie hebben. Voorbeelden daarvan zijn de h en de r. Op deze medeklinkers kom ik in latere hoofdstukken uitgebreid terug.

Eerst wil ik het relatief kleine aantal velaire medeklinkers bespreken. Op dit punt is het Nederlands niet anders dan de meeste andere talen. Er zijn wel talen die evenveel medeklinkers hebben bij elke articulatieplaats, maar er zijn geen talen bekend die meer velaire medeklinkers hebben dan coronalen.

Het is eigenlijk nog iets sterker, want het Nederlands heeft nog relatief veel velaire medeklinkers. De g en ch zijn in de wereld der menselijke taal zeldzame klanken, zoals iedereen weet die ooit een buitenlander Scheveningen heeft laten zeggen. Overigens zal ik laten zien dat het Nederlands wel degelijk verschil maakt tussen ch en g, ook al is daar vaak maar weinig van te horen.

Daar komt nog eens bij dat binnen elke menselijke taal de coronale consonanten altijd meer mogelijkheden hebben dan niet-coronale consonanten. Neem het Nederlands. Een woord in onze taal kan in de meeste gevallen hooguit beginnen met twee medeklinkers: de woorden praat, klein, fluit , knaap bestaan wel en bijvoorbeeld *plraat of *fklein bestaan niet. (Ik gebruik in dit boek een asterisk om aan te geven dat een bepaalde vorm hypothetisch is maar in werkelijkheid niet voorkomt en zelfs naar het taalgevoel van de moedertaalspreker niet voor kan komen.) Er zijn veel uitzonderingen op deze regel, woorden die met drie medeklinkers beginnen: straat, schrijf, splijt. Maar in die gevallen is de eerste klank altijd een s ÷ en de s is coronaal.

Er zijn nog andere beperkingen op de medeklinkers waarmee een woord begint. Zo is de tweede medeklinker van een groepje van twee (en de derde van een groepje van drie) bijna altijd een n, een l of een r. Bijna altijd ÷ want ook hier zijn uitzonderingen. En ook in al deze uitzonderingen is de eerste of de tweede medeklinker altijd een coronale s: xylofoon, psychologie, spinazie, stand..

Tot zover het begin van het woord. Als we onze aandacht even verschuiven naar de andere woordrand vinden we hetzelfde soort verschijnsel. Ook hier vinden we in de regel hooguit twee medeklinkers: ramp, kerk, melk. Ook op deze regel zijn weer talloze uitzonderingen. Sterker nog, Nederlandse woorden kunnen veel meer medeklinkers eindigen dan alleen twee. Maar de buitenste medeklinkers zijn dan altijd coronale t 's en s'en: markt, ernst, herfst.

Als een woord op precies twee medeklinkers eindigt is de eerste van die twee altijd een r, een l, een n, een m of een ng ÷ dit zijn de zogenaamde sonorante medeklinkers: balk, bark, bank, ramp, band. En alle uitzonderingen, alle niet-sonoranten op de eerste plaats in een groepje van twee, betreffen hier weer een s: wesp, Bask.

We kunnen al deze bevindingen op de volgende manier samenvatten. De maximale Nederlandse lettergreep ziet er als volgt uit:

C1 C2 V C3 C4

Hier stellen de C's medeklinkers (ofwel consonanten) voor en de V een klinker (ofwel een vocaal). Hierbij is de plaats C2 gereserveerd voor de n, de l of de r, en de plaats C3 voor de n, de m, de ng, de l of de r. Door dit hele patroon kunnen dan vrijwel zonder restricties extra coronalen worden gevlochten ÷ t's, maar vooral s'en.

Dit patroon is dat van de maximale lettergreep. In dezelfde notatie zou de optimale lettergreep geschreven worden als CV. Met een coronaal op de plaats van C.

Nu zouden we uit deze voorbeelden misschien kunnen concluderen dat s eigenlijk een betere kandidaat is voor de positie van 'ideaalste medeklinker in de ideaalste lettergreep'. In alle voorbeelden doet de s altijd mee en de t alleen in incidentele gevallen. Als het voorkomen van deze klanken in plaatsen buiten het hierboven gegeven schema met C's en V's echt een argument is voor het bijzondere karakter van deze medeklinkers, waarom zeggen we dan niet sasa om de wereld rond te gaan?

Het antwoord is, denk ik, dat het de keuze van de volmaakte klank niet alleen wordt bepaald door argumenten die ontleend zijn aan een uitgebreide analyses van het hele taalsysteem zoals we hierboven hebben gemaakt. We moeten ook rekening houden met de onmiddellijke context waarin de klank voorkomt. De combinatie ta is een betere lettergreep, omdat de t beter bij de a past dan de s.

Laat ik het anders zeggen. Taa is een mooiere lettergreep dan saa omdat de t meer verschilt van de aa dan de s. Een ideale lettergreep bestaat niet zomaar alleen uit een medeklinker en een klinker; die twee verschillen ook nog eens zo veel mogelijk van elkaar. Hoe groter het verschil tussen de twee klanken, hoe beter.

Als medeklinker en klinker te veel op elkaar lijken, kunnen ze zelfs helemaal geen lettergreep vormen. De j en de ie in het Nederlands zijn bijvoorbeeld klanken die heel sterk op elkaar lijken. De lettergreep *jie komt dan ook niet voor in het Nederlands. Er zijn wel woorden die met ji- beginnen ÷ jicht en Jiddisch ÷ maar er zijn absoluut geen woorden die beginnen met *jie. Ook de w en de uu zijn klanken die sterk op elkaar lijken; en hoewel aan de rand van Vlaanderen een plaats ligt met de naam Wuustwezel zijn er verder geen woorden die met deze combinatie van klanken beginnen. Er zijn weer wel woorden die beginnen met wu-, zoals wurg en wurm.

Hoe groter het contrast tussen de twee klanken in een lettergreep, hoe beter. Nu is er een belangrijk verschil tussen de t en de s . De laatste kunnen we eindeloos lang aanhouden als we dat willen, maar de eerste niet. De letterrij sssssss kunt u uitspreken als één langgerekte s, maar ttttttttt kan alleen maar zinvol worden geïnterpreteerd als een serie van los gearticuleerde t's. In de taalkunde zeggen we dan dat de s een continuant is en de t een stop. Voorbeelden van andere continuanten zijn z, f en m, voorbeelden van andere stops zijn p, k en d.

Nu zijn klinkers bijna per definitie continuanten. Ook klinkers kunt u ongelimiteerd lang aanhouden en aaaaaaaaa is één lange klank, niet een rij kortere klanken. Dat is de reden dat taa beter is dan saa: Een lettergreep die bestaat uit een stop gevolgd door een continuant is beter dan een lettergreep met twee continuanten achter elkaar.

In verband met dit contrast is het misschien aardig om ook even te kijken wat de plaats van articulatie is waar de klinker wordt uitgesproken. De ideale klinker in dit woord is aa, zoals we tot nu toe stilzwijgend voor waar hebben aangenomen. Maar de reden daarvoor is eigenlijk nog een beetje onduidelijk. Zoals we in hebben gezien zijn er immers drie primaire klinkers: naast de aa hebben we ook nog de ie en de oe. Waarom kiezen we nu de aa? De reden daarvoor is tweeledig. In de eerste plaats zijn ie en oe allebei klinkers die tamelijk dicht bij medeklinkers liggen. Zojuist hebben we bijvoorbeeld al gezien dat de ie kennelijk heel dicht ligt bij de medeklinker j want die twee mogen niet samen in een lettergreep staan. De aa heeft in ieder geval niet zo'n tegenhanger in het medeklinkerdomein.

Een andere reden waarom we voor de aa kiezen ligt in de plaats van articulatie van die klinker. We maken hem door de achterkant van onze tong iets omhoog te brengen. De klank is met andere woorden velair, terwijl ie coronaal is en oe labiaal. Nu was velariteit zoals we hebben gezien, de uitzonderlijkste plaats voor medeklinkers. Dat maakt de aa dus uitstekend geschikt om maximaal te contrasteren met de t.

Zullen we nog kunnen praten als we eenmaal in de hemel zijn? En zal onze taal dan nog Nederlands zijn? Over de antwoorden op deze vragen zwijgt de fonologische theorie. Maar één ding is zeker. Wanneer u daarboven met andere mensen in contact wilt komen, kunt u het best dat ene, volmaakte woord gebruiken, dat woord dat de mens als diersoort het beste ligt. Tata.

terug / inhoudsopgave / vooruit