De poëzie van eu

De wonderen zijn nooit ver weg voor wie belangstelling heeft in klanken. De fonoloog hoeft maar even op vertrouwlijke voet met een buitenlander te raken, op straat te lopen, of een boek op te slaan. Neem nu het gedicht Ursonate van de Duitse Merz-kunstenaar en dadaïst Kurt Schwitters (1887-1948). De eerste regels van dat vele pagina's lange gedicht luiden als volgt:

Fümms böwö pää zää Uu,
pögiff,
kwii Ee.
Oooooooooooooooooooooooooooooooo,
dll rrrrrrr beeeee bö

De opname waarop de auteur dit werk voorleest duurt iets langer dan een halfuur. Er zijn maar weinig twintigste-eeuwse gedichten die zo meeslepend zijn, maar een letterkundige kan er waarschijnlijk weinig over zeggen. Het zijn klanken, nogal inhoudloze klanken, en letterkundigen en literaire critici hebben inhoud nodig voor ze beginnen iets over een werk te zeggen.

Ook onder verwijzingen naar een ongelukkige jeugd of onder een sluitend filosofisch systeem gaat dit gedicht niet gebukt. Voor zover ik kan nagaan wordt op één plaats, aan het eind van de sonate, gepoogd de letters van het alfabet op te sommen. Dat lijkt me de diepzinnigste passage. Verder wordt er alleen met klanken gespeeld. Maar waarom zet nu juist deze schijnbaar willekeurige serie klanken zich zo in uw hoofd? En waarom geven ze de lezer en de luisteraar dat gevoel dat het inderdaad oerklanken zijn?

Ik ben taalkundige. Het antwoord op de voorafgaande vragen wordt volgens mij dan ook gegeven door de moderne taalkunde, om precies te zijn door het onderzoek naar kindertaalfonologie. Ik matig me aan dat ik precies kan zeggen wat de organiserende principes zijn waarop Schwitters de Ursonate heeft gebouwd: de principes van peutertaal. De sonate is, weliswaar op een gestileerde manier, geschreven als het gebrabbel van een ongeveer anderhalf-jarige.

Hoe praat een klein kind? In plaats van poes zegt ze poef. De reden dat ze dat doet is dat de p, de oe en de f alle drie op dezelfde plaats in de mond worden uitgesproken, namelijk bij de lippen. De s heeft een heel andere articulatieplaats, direct achter de tanden. Dat is de plaats waar u de lucht laat schuren tussen het puntje van uw tong en uw verhemelte. Heel jonge kinderen hebben de sterke neiging om alle klanken van een woord op dezelfde plaats in de mond uit te spreken. Interessant genoeg worden die kinderen meestal kwaad als u zelf een keer poef zegt. Ze maken u verontwaardigd duidelijk dat u een belachelijke vergissing maakt. Waarschijnlijk weten ze dus wel dat het woord eigenlijk poes is. Ze passen op dat woord alleen een bijzonder fonologisch procédé toe waardoor het uit hun mond uiteindelijk klinkt als poef.

Taalkundigen hebben een technische term voor dat procédé bedacht: harmonie. In de taal van een peuter harmoniëren alle klanken met elkaar, maar harmonieprocessen zijn niet beperkt tot kindertaal. Ook sommige volwassen talen vertonen een duidelijk harmonieproces, al is die vaak beperkt tot klinkerharmonie. Dat wil zeggen dat alle klinkers in een woord op dezelfde plaats worden uitgesproken. Klinkerharmonie komt vrij vaak voor, bijvoorbeeld in het Fins, het Hongaars en het Turks.

In die laatste taal kunnen we de klinkers onderverdelen in twee groepen. De ene groep bevat onder andere de aa, de oo en de oe; de andere groep onder andere de è (van pet), de eu en de uu. Alle klinkers in een woord behoren allemaal ofwel tot de ene groep ofwel tot de andere. Combinaties van de twee zijn uitgesloten.

Om het meervoud te maken van een woord voegt het Turks aan het eind van het woord bijvoorbeeld -ler of -lar toe. De keuze tussen -ler of -lar wordt bepaald door klinkerharmonie: de è behoort tot de ene groep klinkers, de a tot de andere. Zo betekent ip in het Turks Îtouwâ en ipler Îtouwenâ en betekent kIz Îmeisjeâ en kIzlar Îmeisjesâ. De reden daarvoor is dat de i en de è tot de ene groep horen en de a en de i (een klinker die een beetje lijkt op de Nederlandse Îstomme eâ in lopen) tot de andere.

Wie goed luistert hoort bij Turken van de eerste generatie soms sporen van klinkerharmonie. Op een kartonnen bordje in een raam van een huis in Bergen zag ik een keer het woord tühür staan. Nu moet ik bekennen dat ik nauwelijks een woord Turks spreek, al is het dan waarschijnlijk de tweede taal van het land waarin ik woon. Ik dacht dan ook in eerste instantie dat het een Turkse aankondiging was.

Vreemd, dacht ik, dat ik die taal kies. Waarom Turks? Het moest iets in de vorm van het woord zijn geweest dat me tot deze conclusie had gebracht. Maar wat precies? Het antwoord was uiteindelijk erg eenvoudig: het had vooral te maken met de dubbele u-umlaut, een teken dat de meeste andere in Nederland gesproken talen niet gebruiken. Maar terwijl ik erover aan het nadenken was, herhaalde ik het woord een aantal maal voor mezelf. En hoorde toen ineens wat daar stond: tu huur, ofwel te huur met klinkerharmonie. Dat klopte ook met de plaats van het bordje, in het raam van een huis.

Wat er precies gebeurd is weet ik natuurlijk niet. Misschien sprak de Turkse eigenaar wel Nederlands maar was hij door gebrekkige scholing niet op de hoogte van de Nederlandse spellingsregels. Hij heeft zijn aanbieding daarom een Turkse spelling meegegeven. Onbewust onthulde de schrijver in ieder geval hoe hij die Nederlandse klanken hoorde: alsof er klinkerharmonie opgetreden was.

Klinkerharmonie is dus een alledaags verschijnsel in het Turks. Maar in talen die geen enkele verwantschap vertonen met het Turks vinden we precies hetzelfde patroon. Het Hongaars is bijvoorbeeld ook een taal met klinkerharmonie en het heeft zijn klinkers op nagenoeg dezelfde manier ingedeeld als het Turks. Ook in het Hongaars zitten de aa, de oo en de oe in de ene groep klinkers en de e, de eu en de uu in de andere. Het Turks maakt onderscheid tussen een achtervoegsel -ler en een achtervoegsel -lar om het meervoud te vormen, het Hongaars maakt onderscheid tussen een achtervoegsel -nek en een achtervoegsel -nak om een verkleinwoord te maken. Het Hongaarse woord voor Îhuisâ is ház, en een Îhuisjeâ is in het Hongaars háznak; het Hongaarse woord voor Îchauffeurâ is soför, en het woord voor Îchauffeurtjeâ is soförnek.

Klinkerharmonie is al met al een tamelijk veel voorkomend verschijnsel in menselijke taal. Het is eigenlijk alleen bij toeval dat de meeste westerse talen het niet hebben. Maar dat ook medeklinkers in zo'n proces wordt betrokken, dat is uniek voor de taal van jonge kinderen. Voor zover bekend komt het in geen volwassen taal in die mate voor.

Het lijkt er wel op dat alle kinderen van een bepaalde leeftijd een fase doormaken waarin ze alle klanken in een woord laten harmoniëren. Het maakt daarbij niet uit of de eenjarige bezig is een harmonische taal zoals het Turks of een onharmonische zoals het Nederlands te leren. Voor een zo jong kind zijn alle talen nog gelijk.

Als de kinderen iets ouder worden, gaan ze woorden uitspreken waarin enkele klanken een andere articulatieplaats hebben dan de rest. Die klanken moeten dan wel altijd aan een rand van het woord staan. Kinderen van pakweg anderhalf kunnen wel poes zeggen, omdat de s aan de rand staat, maar nog niet pief, omdat de ie anders dan de p en de f niet met de lippen wordt uitgesproken en die ie in het midden van het woord staat, niet aan de rand.

Net als de spraak van de eenjarige wordt ook het gedicht van Schwitters gekenmerkt door een zeer grote mate van harmonie, een harmonie die verder reikt dan alleen de klinkers. Neem de allereerste frase van de sonate. De dichter speelt daar met twee plaatsen van articulatie: de zogeheten labiale plaats bij de lippen, en de zogeheten coronale plaats, net achter de tanden. Wanneer we alleen naar die plaatsen kijken, ontdekken we een bijzonder patroon in de eerste regel van dat gedicht. De welluidendheid wordt dan als het ware zichtbaar:

 

labiaal

Fümms böwö pää zää

coronaal

De eerste vijf medeklinkers zijn allemaal labiaal en hetzelfde geldt voor de eerste drie klinkers. De s is een uitzondering, maar de s is in de klankstructuur in allerlei andere opzichten ook een uitzondering zoals ik verderop uitgebreid zal laten zien.

De laatste anderhalve lettergreep is helemaal coronaal: de Duitse ü en de z worden allebei uitgesproken achter de tanden. Het coronale kenmerk, de aanduiding op de coronale partij van de partituur, heeft behalve totale harmonie ook klinkerharmonie over de hele frase, want de ü en de ö zijn niet alleen labiaal maar ook coronaal (omdat we anders dan bij de oe en de oo de voorkant van onze tong naar voren brengen bij het uitspreken van deze klanken).

De eerste versregel gaat dus langzaam maar zeker van labiaal naar coronaal. Ook dat correspondeert met verschijnselen die we kennen uit de studie van kindertaal. In de fase na de zojuist besprokene beginnen kinderen articulatieplaatsen in een woord te combineren. Maar dat gaat nog steeds niet vrijelijk. In deze fase geldt: hoe meer naar voren in het woord, hoe meer naar voren in de mond uitgesproken. Elk woord begint ergens voor in de mond en eindigt ergens achterin.

In deze fase kunnen kinderen wel zeggen poes, omdat de s verder naar achteren wordt uitgesproken dan poe, maar nog niet soep omdat de beweging daarin andersom verloopt. Dit lijkt min of meer de taalvariant waarin Schwitters dit gedicht geschreven heeft. U gelooft mij hopelijk op mijn woord dat ook de overige 34,7 minuten Ursonate op soortgelijke manier fonologisch te analyseren zijn.

Wat ik hierboven over kindertaal heb gezegd, hebben taalkundigen met veel moeite uit vele meters bandopnamen met gebrabbel moeten destilleren. Het geniale van de kunstenaar Schwitters is dat hij zonder enige kennis van de laat-twintigste-eeuwse fonologie de weg terug heeft weten te vinden naar een bepaald ontwikkelingsstadium van zijn grammatica, naar een 'oertaal'. Omdat kinderen in hun jeugd volgens sommige geleerden de hele menselijke evolutie nog eens overdoen, zit het er dik in dat onze voorouders inderdaad de hele dag Fümms böwö enzovoort. zeiden.

Fascinerend is ook dat Schwitters harmonie in belangrijke mate overeenkomt met de klinkerharmonieën in het Turks en het Hongaars. We hebben gezien dat allebei die talen de volledige verzameling klinkers opdelen in een groep met onder andere de aa, de oo en de oe, en een groep met onder andere de e, de eu en de uu. Dat verschil is nu heel gemakkelijk te karakteriseren: de klinkers in de tweede groep zijn allemaal coronaal, de klinkers in de eerste zijn dat allemaal niet.

In het Turks is er bovendien een tamelijk sterke voorkeur voor harmonie op het kenmerk 'labiaal': labiale klinkers als de oo, de uu en de oe hebben de neiging samen in een woord te staan met andere labiale klinkers, en niet met niet-labiale klinkers als aa, è en ie. Labiale klinkerharmonie is in het Turks iets ingewikkelder en veel minder absoluut dan coronale klinkerharmonie. Maar het principe is duidelijk aanwezig voor wie de taal grondig bestudeert. Een Turk die te huur harmonisch op wil schrijven, schrijft tühür, met harmonie op zowel het kenmerk 'labiaal' als het kenmerk 'coronaal', en niet bijvoorbeeld tihür, met alleen harmonie op het kenmerk 'coronaal'.

Meer in het algemeen zijn harmonieregels op de kenmerken 'labiaal' en 'coronaal' waarschijnlijk de populairste onder de talen van de wereld. En precies deze regels vinden we in de Ursonate!

Nu sprak Kurt Schwitters voor zover we weten Turks noch Hongaars. De kans is zelfs zeer groot dat hij nooit de grammatica van enige taal met enige vorm van klinkerharmonie bestudeerd had. Het Duits, zijn moedertaal, heeft net zomin harmonie als het Nederlands. Alweer geldt hier dat de kunstenaar succesvol contact heeft weten te maken met een intuïtie die de meeste mensen vergeten zijn, maar die ten grondslag ligt aan veel talen van de wereld, aan het taalgebruik van álle kinderen die een taal leren, en die taalgeleerden er in de loop van de eeuwen uit hebben weten te halen.

Wat de moderne literatuurwetenschap zou kunnen leren van de moderne fonologie, is dat het niet meevalt om onzin te zeggen of te schrijven. De mens krijgt nu eenmaal zodra hij gaat praten te maken met zijn lichaam, en de beperkingen van dat lichaam zorgen automatisch voor structuur in uw gebrabbel, of u nu een baby bent of een dadaïst.

Al bijna honderd jaar wordt er over moderne kunst beweerd dat 'mijn kleine zusje (of nichtje, of buurmeisje) dat ook kan'. Sterker nog, veel kunststromingen hebben de imitatie van het kinderlijke expliciet in hun programma opgenomen. In de loop van die honderd jaar is nog steeds niet opgehelderd wat dat 'ook-kunnen' nu eigenlijk betekent. Ik denk dat een vergelijking tussen kindertaal en kunsttaal hier in ieder geval wat de literatuur betreft uitkomst zou kunnen bieden. Een geslaagd onzingedicht beantwoordt aan dezelfde wetmatigheden als het gebrabbel van een kind.

terug/ inhoudsopgave / vooruit