De klank van Nederland

Praten gaat de meeste mensen makkelijk af. Iemand moet wel erg dronken zijn of totaal uitgeput voor hij zich niet meer verstaanbaar kan maken. Toch is geen enkele menselijke spierbeweging zo gecompliceerd en zo subtiel als de tongverplaatsingen die nodig zijn om taalklanken te vormen. Een concertpianist moet elke dag vele uren studeren, maar de vingerbewegingen die hij maakt om de snelste passages van Chopin of Liszt te spelen, zijn bij lange na niet zo ingewikkeld als de coördinatie van spieren in tong, mondholte, longen en lippen die nodig is om twee zinnen te zeggen in het plat Amsterdams.

Ook het omgekeerde -- verstaan wat iemand anders tegen u zegt -- is bijna te ingewikkeld voor woorden. Stel dat u in een café zit, een voor de hand liggende plaats voor een gesprek. Een andere gast is u iets aan het vertellen en u luistert naar haar. Het wonder begint erbij dat u in staat bent de hele tijd en zonder er bewust moeite voor te doen te verstaan wat die ander zegt. Er is misschien op de achtergrond muziek, er zijn tientallen andere mensen tegelijkertijd in dezelfde ruimte aan het praten, maar uw aandacht blijft, zolang het niet al te rumoerig wordt, gericht op de stem van uw gesprekspartner.

Het eigenlijke mirakel is nog vele malen groter. Uw gesprekspartner beweegt met haar mond en maakt klanken. 'Ik ben helemaal niet muzikaal,' zegt ze bijvoorbeeld. Dat is een stroom vervormingen in de lucht die bij elkaar niet veel langer duurt dan een seconde of twee. Het zijn bovendien klanken die u nooit eerder op precies deze manier gehoord hebt. Bij het uitspreken van de eerste a deed de vrouw haar mond misschien net iets wijder open dan alle andere keren dat ze in uw nabijheid helemaal zei, en de laatste l slikte ze in. Bovendien had ze in het begin van de zin misschien een beetje vocht op haar stembanden. Maar met dat soort dingen bent u helemaal niet bezig.

U bent zich meestal nog niet eens bewust van de klanken die u hoort. U merkt misschien dat de vrouw moe is en dat haar Groningse jeugd nu iets sterker dan anders in haar taalgebruik doorklinkt. Maar uw bewuste aandacht wordt alleen getrokken door de inhoud van wat ze zegt.

Hoe moeilijk begrijpen eigenlijk is, wordt duidelijk als u een vreemde taal leert. Er komt dan onvermijdelijk een stadium waarin u al vrij veel woorden kent en een geschreven of een langzaam voorgedragen tekst zonder grote problemen kunt volgen. Maar zodra ervaren sprekers van die taal tegen u beginnen te spreken, raakt u in de problemen. Ze zeggen misschien alleen maar woorden die u kent, maar hun gepraat klinkt als een lange onontwarbare stroom van klanken. U kunt niet eens horen waar het ene woord begint en het andere ophoudt. Het lijkt alsof die buitenlanders alle woorden en zinnen aan elkaar vastplakken.

Het is nog sterker, want het is wetenschappelijk vast te stellen dat die mensen dat doen. Uit metingen blijkt dat geen spreker van nature zijn woorden of zinnen duidelijk vooraf laat gaan en volgen door korte of lange pauzes. We kunnen het door een computer laten doen, maar zo'n computer is dan vrijwel onverstaanbaar. Dat geldt niet alleen voor vreemde talen, dat geldt ook voor het Nederlands. En toch kunt u vaststellen dat uw gesprekspartner vijf woorden uitspreekt als ze zegt: 'Ik ben helemaal niet muzikaal.' Zonder enige moeite en razendsnel. Uw gesprekspartner heeft de laatste klanken nog niet eens gemaakt als u al weet wat ze zeggen wil.

Hoe snel dit gaat blijkt uit de snelheid en de precisie waarmee mensen kunnen herhalen wat ze horen. U kunt dit bij uzelf vaststellen met de nieuwsberichten van de radio. U probeert alles wat de nieuwslezer zegt zo snel mogelijk na te zeggen. Met een klein beetje oefening lukt dit vrijwel iedereen met een verbluffend grote snelheid en accuratesse. Sommige mensen lopen bij zo'n proef niet meer dan een kwart seconde achter bij de nieuwslezer. In die kwart seconde hebben ze dus de klanken in hun oor geanalyseerd en begrepen, die klanken vervolgens omgezet in aanwijzingen voor de benodigde spieren en die aanwijzingen ook uitgevoerd.

Spraakklanken maken en begrijpen is op de keper beschouwd een bijna onmenselijke taak. Een verstandig mens zou denken dat niemand het zijn kinderen aan kan doen om ze aan zo'n karwei te laten beginnen. En toch gebeurt dat elke dag. Alle volkeren, alle culturen ter wereld hebben voor zover we weten te allen tijde een taal gebruikt en alle volkeren en alle culturen hebben voor zover bekend verwacht dat de kleinste kinderen al zinnen konden maken en verstaan. En tenzij die kinderen doof waren of een ernstige geestelijke afwijking hadden, gebeurde dat ook altijd zonder problemen.

Heel jonge kinderen kunnen de klanken van hun moedertaal herkennen en reproduceren. Zelfs pasgeboren baby's blijken het verschil te horen tussen hun moedertaal en de klanken van een vreemde taal. Dat hebben ze spelenderwijs geleerd, zonder enig expliciet onderwijs, zonder examens en zonder trainingssessies onder professionele begeleiding. Waaraan mensen ook trauma's overhouden uit hun jeugd, nooit klaagt iemand over de verschrikkelijke tijd die hij heeft moeten doormaken omdat hij tegen heug en meug zijn moedertaal moest leren van zijn ouders.

Ik heb het dan niet over 'netjes' praten. Zonder twijfel lopen er honderdduizenden mensen rond met frustraties omdat ze altijd hebben geleerd dat ze 'netjes' moesten spreken en niet 'plat'. Volgens mij, en volgens de meeste taalkundigen die ik ken, is plat praten is juist vaak oneindig veel interessanter dan netjes spreken. Ik wil in dit boek laten zien dat Nederlandse dialecten vaak allerlei heel ingewikkelde klankregels kennen. Iemand die zo'n dialect spreekt moet die regels ooit hebben geleerd, maar onderwijs heeft hij er nooit in gekregen. Integendeel, bij het taalonderwijs zal hem in negen van de tien gevallen zijn verteld dat wat hij doet niet netjes is, dat hij dat nooit mag doen, enzovoort. Het onderwijs heeft grote moeite gedaan om de dialectregels uit te bannen en desondanks zijn die regels foutloos geleerd. 'Op straat geleerd,' wordt er dan gezegd. Er blijkt geen betere leerschool dan de straat te zijn.

In bepaalde opzichten is het zogenaamd 'algemeen beschaafde' Nederlands veel eenvoudiger en droger en oninteressanter dan al die dialecten. Het is in de loop der tijden 'logisch' gemaakt. Fanatieke geleerden hebben getracht alle zogenaamd 'onlogische' regels en processen uit de taal te snijden. De woorden zijn opgeschreven en vervolgens is men gaan menen dat woorden uitgesproken moeten worden zoals de geleerden ze schrijven. Omdat ook de spelling liefst zo weinig mogelijk mocht veranderen, veroorzaakte dat een ietwat steriel conservatisme in de fonologie van de standaardtaal.

Ik wil laten zien dat we ook in de standaardtaal nog tal van bizarre en ingewikkelde processen vinden. Maar als ik eerlijk ben gaat mijn hart toch uit naar het Nederlands zoals dat gesproken wordt door Limburgers en Hagenaars, door Turken en Surinamers. Op die prachtige varianten, plus nog enkele andere dialecten, zal ik me dan ook als het even kan richten.

Dit boek gaat over fonologie. Dat is een tak van de taalwetenschap die de klanken van taal bestudeert en die daarom ook wel 'klankleer' wordt genoemd. Het bespreekt daarbij vooral de psychologische aspecten van de klanken -- de manier waarop de menselijke geest die klanken behandelt en opslaat. Een zusterdiscipline van de fonologie, die de meer natuurkundige en fysiologische aspecten van taalklanken bestudeert, heet 'fonetiek'. In dit boek put ik wel uit de rijke kennis die fonetici hebben vergaard -- zonder kennis van de fonetiek kan niemand fonologie doen en omgekeerd. Maar de nadruk ligt steeds op de fonologie.

Het soort fonologie dat ik hier bespreek is een onderdeel van een taalkundige richting die wordt aangeduid met de term 'generatieve grammatica'. Die naam verwijst naar de strenge logische, bijna wiskundige, principes die aan de methode van onderzoek ten grondslag liggen. Logische principes waarover we ons hier het hoofd verder niet zullen breken, al is het maar omdat ze in de afgelopen veertig jaar bijna voortdurend veranderd zijn zonder dat dit aan veel fundamentele inzichten iets veranderd heeft. Over die fundamentele inzichten wil ik het vooral hebben.

De generatieve grammatica is aan het eind van de jaren vijftig ontwikkeld door de beroemde Amerikaanse taalkundige Noam Chomsky. Behalve dat hij de zojuist genoemde logische principes bedacht en de meeste veranderingen die deze principes in de afgelopen tientallen jaren hebben ondergaan voorstelde, deed hij een andere bijdrage aan de taalwetenschap. Hij stelde dat de belangrijkste, de meest fundamentele vraag voor de taalkunde is: hoe is het mogelijk dat een zo ingewikkeld systeem als de menselijke taal met zo veel gemak door kleine kinderen geleerd wordt?

Want taal, elke taal, is onbeschrijflijk ingewikkeld. Dit boek. behandelt een paar feiten over het Nederlands -- en eigenlijk alleen maar over een heel klein deel van het Nederlands, alleen maar over de klanken. Maar de hier behandelde feiten vormen naar de meest voorzichtige schatting niet meer dan een honderdste van wat er over dit onderwerp bekend is. En wat er bekend is, is nooit meer dan een duizendste van wat er werkelijk bestaat, van wat een willekeurige spreker van het Nederlands zonder dat hij het weet in z'n hoofd heeft zitten, en van wat we allemaal ooit misschien zullen weten als de taalkundigen voldoende hard werken. Een bibliotheek met honderdduizend boeken is misschien net voldoende om te kunnen beschrijven wat u weet over de klanken van uw moedertaal.

Elke taal is dus onnoemelijk ingewikkeld en toch kan een kind haar binnen een paar jaren leren. Dat is een paradox en Chomsky maakte die paradox tot het centrale onderwerp van onderzoek in zijn soort taalkunde. Voor die tijd hadden geheel andere vragen de taalkundigen meestal bezig gehouden, zoals: 'wat is eigenlijk een standaardtaal', 'waar komt het woord 'fiets' vandaan' en 'hoe komt het dat de telwoorden in het Duits, het Latijn, het Grieks en het Sanskriet zoveel op elkaar lijken.'

Chomsky's accentverschuiving bleek uiterst vruchtbaar. In geen enkele periode in de geschiedenis zijn zo veel ontdekkingen gedaan over het verschijnsel taal of over specifieke talen als het Nederlands als juist in de veertig jaar sinds het verschijnen van Chomsky's eerste boekje.

Het is volgens mij niet meer dan logisch dat een moderne taalkundige onder de invloed van deze opvattingen juist het minder netjes spreken met bijzondere aandacht bekijkt. Dat niet-netjes praten, daarin zit de grootste paradox. Platte taal is de meest ingewikkelde taal die er is. Het is voor volwassen buitenstaanders vaak ongelooflijk moeilijk om te leren: een autochtoon hoort altijd dat u geen echte geboren en getogen ingezetene bent aan uw uitspraak. Maar, ik zeg het nog maar eens, een kind leert het systeem juist uiterst gemakkelijk, hoe hard school en ouders er ook tegen ageren.

De oplossing die Chomsky voor de paradox geeft komt er in grote lijnen op neer dat de baby geboren wordt met een heleboel ideeën in zijn hoofd over hoe zijn moedertaal er mogelijkerwijs zou kunnen uitzien. Het belangrijkste deel van het mechanisme zit eigenlijk al in de jonge hersentjes. Er hoeven alleen nog een paar knopjes in de juiste stand te worden gezet. Dat omzetten van die knopjes kan alleen gemakkelijk gebeuren tot de puberteit, daarna is het voor altijd te laat. Dat geldt zeker voor de fonologie. Uitzonderlijk begaafde mensen kunnen soms nog een grote flexibiliteit in zinsbouw en woordkeus verwerven in de vreemde tijd. De Russische schrijver Vladimir Nabokov heeft zoals bekend enkele van zijn beste werken in het Engels geschreven -- maar hij schijnt ook met een zwaar accent te hebben gesproken. Zijn zinsbouw en woordkeus waren prachtig, maar zijn fonologie bleef onveranderd.

Die baby begint al op jonge leeftijd met het zetten van de knopjes. Er zijn zelfs aanwijzingen dat het leren van taal feitelijk al begint in de moederschoot. In ieder geval blijken pasgeboren baby's al met redelijk succes de klanken van de eigen en die van vreemde talen van elkaar te kunnen onderscheiden. Lang voordat ze beginnen te praten, hebben ze dus al iets over hun moedertaal geleerd.

U vraagt zich nu misschien af hoe we kunnen weten wat die baby over zijn moedertaal geleerd heeft als we het hem nog niet kunnen vragen. Er zijn vernuftige experimenten bedacht om dit probleem te omzeilen. Aan de zuigeling worden fopspenen uitgereikt, waaraan ze in een reflex begint te zuigen. Alleen houdt een zo jong kind dat zuigen niet lang vol. Als er niks gebeurt, is het geneigd binnen korte tijd in slaap te vallen. In de spenen van de baby kunnen we nu meetinstrumentjes aanbrengen, die meten of het kind op een gegeven moment nog zuigt. Hoe verveelder het kind, hoe eerder het in slaap valt en hoe minder langer die instrumentjes uitslaan.

Bij de wieg draaide men nu bandjes af met fragmenten de moedertaal en in een vreemde taal. Op deze manier konden de onderzoekers vaststellen dat de baby's geneigd waren met bijzondere aandacht te luisteren naar fragmenten uit hun moedertaal. Bij de fragmentjes in vreemde talen en bij een paar onzinfragmentjes die geen verband hielden met een bestaande taal verslapte hun aandacht sneller en vielen ze eerder in slaap.

Het aantal van dit soort experimenten is overigens helaas kleiner dan de buitenstaander verwacht. Het botert jammer genoeg niet zo erg tussen theoretisch taalkundigen en experimentele psychologen. Chomsky publiceerde zijn eerste boek in 1957, overigens bij een Nederlandse uitgever omdat de Amerikanen geen belangstelling hadden. Grote roem verwierf hij met een recensie van een boek van B.F. Skinner. Skinner beweerde dat taalverwerving niet veel meer was dan het leren van een paar kunstjes en Chomsky haalde deze mening onderuit. In de jaren zestig trok zijn werk ruime belangstelling van psychologen en pedagogen.

Daarna verloor het de aandacht. In een moderne inleiding in de sociale wetenschappen wordt het nog wel behandeld, maar terloops, als werk uit de jaren zestig dat allang achterhaald is door modernere ideeën. Wie zo'n handboek leest, krijgt het idee dat hij allang dood is. Wie vervolgens kennis neemt van die modernere ideeën, merkt dat ze erg veel lijken op het werk dat ook in de jaren vijftig al opgeld deed. Vaak komen ze neer op de gedachte dat het leren van taal niet veel meer is dan het leren van enkele kunstjes.

Interessant aan Chomsky vind ik nu juist dat hij zich blijft vernieuwen. Veel wetenschappers hebben hooguit in hun jonge jaren een korte creatieve periode en blijven de rest van hun leven aan die ideeën hangen. Hij loopt al aardig tegen de zeventig, maar hij publiceert nog steeds elk jaar wel een artikel waarmee in eerste instantie niemand het eens is omdat het radicaal afwijkt van de gevestigde ideeën. Steeds weet de man weer een nieuwe groep voormalige volgelingen tegen zich in het harnas te jagen. Van zijn basisgedachte dat veel taalkundige kennis aangeboren is, is hij nooit afgeweken. Hij heeft die gedachte in de loop der jaren aangescherpt en bijgesteld maar hij heeft haar nooit verlaten. En in alle handboeken over psychologie ben ik nooit een helder argument tegengekomen dat deze gedachte weerlegt.

Overigens heeft Chomsky zelf sinds 1967 nooit meer iets over de klanken van taal gezegd. Hij concentreerde zich vanaf dat moment op de syntaxis, de manier waarop woorden aaneengeregen worden tot zinnen en op zijn politieke werk. De rol die hij in de ontwikkeling van de fonologie heeft gespeeld, is daarom uiteindelijk beperkt. Er zijn maar weinig ideeën in de moderne klankleer die we rechtstreeks danken aan zijn werk. Zijn basisgedachte blijft inspireren maar wanneer hij ooit zelf nog iets over fonologie opmerkt, wordt dat door fonologen in de regel alleen meewarig besproken. Niemand kan het vak nog bijhouden door alleen in de avonduren wat boeken te bestuderen.

Een gevolg van Chomsky's gedachte dat we al een heleboel ideeën over onze moedertaal op het moment van geboorte in onze hoofden hebben, is dat talen sterk op elkaar moeten lijken. Dat geldt ook op het gebied van de klanken. Iemand die wel eens luistert naar de dagelijkse nieuwsuitzendingen in het Chinees, Marokkaans en het Berber komt een dergelijke claim misschien wat bizar voor. Toch hebben taalkundigen aangetoond dat inderdaad in veel opzichten de overeenkomsten tussen talen veel groter zijn dan de verschillen. Dat is ook waar als we het op kleinere schaal bekijken. In het Standaardnederlands en in de varianten van het Nederlands die ik eerder noemde vinden we tal van klankverschijnselen die op het eerste gezicht heel bijzonder lijken, maar die bij nader inzien helemaal niet zo typisch zijn. Er is in het Nederlands niets dat we niet in andere talen kunnen vinden. En het omgekeerde is ook bijna waar: zeer veel exotisch lijkende klanken en klankverschijnselen vinden we op zijn tijd ook wel ergens in een uithoek van het Nederlands taalgebied.

Dat is wat ik in dit boek wil laten zien. Alle mensen hebben vrijwel identieke hersenen en een vrijwel identieke mond. Hoe groot de verschillen oppervlakkig gezien ook zijn tussen de vele tongvallen van de wereld, als we wat preciezer kijken en luisteren, vallen die verschillen weg.

terug / inhoudsopgave / vooruit