7. Elk woord telt

Marc van Oostendorp

Hoofdstuk uit het boekje Computers en taal, oorspronkelijk verschenen bij Sdu, Den Haag, 1999.

Eeuwenlang droomden de mensen van een bibliotheek waarin het antwoord op alle vragen te vinden zou zijn. Elk boek dat er ooit geschreven was, zou ergens in de schappen van die bibliotheek te vinden zijn en de bibliofiel zou er zijn hele leven kunnen doorbrengen, gelukzalig door al die titels bladerend. Eeuwenlang kleefden er praktische bezwaren aan de verwerkelijking van die droom: hoe moest je al die boeken verzamelen? Waar moest je ze opslaan? En hoe moest je in die enorme verzameling materiaal vinden wat je zocht?

Internet geeft misschien het begin van een oplossing voor die praktische bezwaren. De hele mensheid kan nu samenwerken in het verzamelen van al die boeken. Als je iets op het netwerk publiceert, kan dat een halve minuut later door iederéén die op het netwerk aangesloten is, gelezen worden – ook door je vriend in Londen en je tante in Venezuela. Het materiaal wordt opgeslagen op computerchips en neemt daarom lang niet zoveel ruimte in beslag als het op papier zou doen.

Ook voor het probleem hoe je op elke willekeurige vraag het juiste antwoord kan opsporen wordt naar een oplossing gezocht. De populairste programma's op Internet zijn zoekmachines. Tik bij zo'n zoekmachine het woord `bloemenveiling' in en je krijgt een lijst met tientallen plaatsen op Internet waar over dit onderwerp geschreven wordt. Weliswaar weet je dan nog niet welk van deze pagina's betrouwbare informatie bevat, maar in de praktijk zijn er eenvoudige tests te bedenken om die betrouwbaarheid te toetsen. Als er op de webpagina met het adres http://www.bloemenveiling-aalsmeer.nl/ wordt beweerd dat de veiling op dinsdag gesloten is, en op een andere pagina met het adres http://www.xs4all.nl/~jopie/wartaal.html dat op die dag de veiling juist open is, kun je als speurder een redelijk vermoeden hebben over wie er hier de waarheid spreekt.

Dat zoekprogramma's tot de drukst bezochte op Internet behoren, betekent waarschijnlijk dat veel mensen op Internet op een nieuwe manier aan het lezen geslagen zijn; dat ze Internet heel anders lezen dan een boek of een tijdschrift. Ik denk dat veel computerlezers lezen op steekwoorden. Ze tikken een woord in dat ze interesseert en bekijken vervolgens de pagina's waarvan ze vermoeden dat die voor hen het belangrijkst zijn. Zoekmachines zorgen ervoor dat je niet alleen weet in welk boek in de wereldwijde bibliotheek je waarschijnlijk een antwoord kunt vinden, maar dat je zelfs weet op welke bladzijde in dat boek het antwoord waarschijnlijk staat. Je kunt dus je leven vullen met het lezen van alleen bladzijden uit boeken, zonder ooit een boek van kaft tot kaft te lezen.

Een curieus gevolg van deze nieuwe manier van lezen heb ik al aangestipt in hoofdstuk 2: artikels in studieuze tijdschriften worden ineens overmatig vaak aangevraagd als ze het woord siliconenborsten bevatten. Maar zoekmachines bieden de taalliefhebber en de taalhater meer mogelijkheden. De taalliefhebber bieden ze uitzicht op een dagelijkse taalkrant, waarin onder andere de nieuwste woorden van die dag op een rijtje worden gezet op de manier waarop de liefhebber van geld nu al beursinformatie in zijn krant vindt. De taalhater geven zoekmachines de mogelijkheid de mensen op te sporen die woorden gebruiken die hem niet bevallen. Van allebei de mogelijkheden zal ik een voorbeeld geven.

Woordenschatexplosie

De taalliefhebber eerst. Het woord woordenschatexplosie heeft waarschijnlijk nooit in de krant gestaan en ook niet in Van Dale. Toch herkent iedere Nederlandstalige het onmiddellijk als een woord van zijn taal. Hoeveel van dit soort nieuwe woorden komen er jaarlijks in het Nederlands bij? De tellingen lopen nogal uiteen. De Leuvense taalkundige Joop van der Horst beweerde in het boek Taalalmanak dat het er ongeveer 300 zijn; volgens zijn collega Frank Jansen uit Utrecht zijn het er meer dan 15.000. Om zijn schatting te staven gaf Jansen in het maandblad Onze Taal (januari 1998) een lijst van 54 'nieuwe' woorden die hij op een bepaalde dag in de Nederlandse dagbladen had gevonden: relizapper, segmentsponsoring, elandtest, enzovoort. De woorden waren 'nieuw' omdat ze niet in het woordenboek stonden. Maar daarmee was natuurlijk niet gezegd dat ze ook nooit eerder gezegd of geschreven waren.

Wie alleen gebruikmaakt van drukwerk, kan zo'n bewering moeilijk controleren. Niemand heeft zin om alle edities van alle kranten van de afgelopen jaren door te nemen met een potlood in de hand om eventuele nieuwvormingen aan te strepen. Door de komst van elektronische databanken met teksten, en vooral van Internet, wordt het allemaal een stuk gemakkelijker. Handig zijn vooral de zogenaamde zoekmachines zoals AltaVista en Vindex: grote databanken die de inhoud van miljoenen pagina's op Internet bijhouden. Wie de 54 woorden uit het artikel in Onze Taal in zo'n zoekmachine opzoekt, ontdekt dat ongeveer de helft ervan allang op een webpagina stonden op dat de dag dat ze `nieuw' in de krant gevonden werden.

Met behulp van diezelfde zoekmachines kunnen we ook de woorden schrappen die sinds de die ene keer nooit meer gebruikt zijn, zoals ex-B-verpleegkundige. We houden dan een residu van één of twee echt nieuwe woorden over. Van der Horsts schatting lijkt daarmee de waarheid aardig te benaderen: per jaar groeit het Nederlands zoals we dat in de kranten kunnen lezen met een paar honderd woorden. De woordenschatexplosie die Internet zélf veroorzaakt is dan echter nog niet in de beschouwing betrokken. Als we alle nieuwe woorden zouden tellen die gebruikers van chatboxen, nieuwsgroepen en websites elke dag bedenken, zou het aantal nieuwvormingen per jaar best alsnog in de duizenden kunnen lopen.

Word je moedeloos van zoveel nieuwe woorden? Dat is helemaal niet nodig. We kunnen een computerprogrammaatje maken dat continu zelfstandig over Internet zwerft, op zoek naar nieuwe woorden. Dat programma begint met een enorme woordenlijst, bijvoorbeeld gebaseerd op alle bestaande woordenboeken. Op elke Nederlandstalige pagina die het tegenkomt, bekijkt het of er woorden staan die het aan de woordenlijst kan toevoegen. Een keer per dag maakt het een rapport over de `nieuwe' woorden die het die dag is tegengekomen en stuurt dit naar de abonnees. Als de makers van Van Dale slim zijn, bouwen ze zo'n krantje: ``Vandaag in de Taal''. Ik zou me op die dienst onmiddellijk abonneren.

Tussenklanken

Behalve om nieuwe woorden op te sporen, kan zo'n zoektocht over Internet ons ook helpen om onze taal beter te begrijpen. Tot de grote raadsels van het Nederlands behoren de zogenoemde tussenklanken. Als we twee woorden aan elkaar vastmaken, voegen we soms een s in (`leeftijdsverschil'), soms een e of en (`vrouwendag') en soms helemaal niets (`huisvuil'). Behalve dat het verschil tussen e en en het onderwerp vormt van een permanent spellingdebat, is ook de keuze tussen s, e/en, of helemaal geen tussenklank nogal ondoorzichtig. Het is nog nooit iemand gelukt om er heldere en trefzekere regels voor op te stellen die we bijvoorbeeld zouden kunnen onderwijzen aan buitenlanders die Nederlands willen leren. Toch hebben Nederlandstaligen de feilloze intuïtie dat ze `leeftijdenverschil' of `vrouwsdag' niet kunnen zeggen. Aan de andere kant is er binnen bepaalde marges ruimte voor variatie: behalve leeftijdsverschil kunnen sommige mensen ook leeftijdverschil zeggen, zonder tussenklank.

Hoe zit dat nu in elkaar? Wat is wel mogelijk en wat niet? De liefhebber die het weten wil, zou kunnen grijpen naar de officiële Woordenlijst Nederlandse taal, het "Groene Boekje". Dat Groene Boekje is gemaakt met behulp van de computer. Bij het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden heeft men een enorme databank gebouwd met uitgeschreven journaalteksten en enkele jaargangen van kranten zoals NRC Handelsblad en tijdschriften zoals Onze Taal. Als een woord vaker dan twee keer in de databank voorkwam, werd het opgenomen.

Dat is allemaal prachtig, maar voor het onderzoekje dat we willen uitvoeren is het Groene Boekje niet bijzonder geschikt. Zo was de database waarop het gebaseerd is, in 1995 misschien het grootste wat er voorhanden was, maar vergeleken met Internet is het nogal klein. De inleiding van het Boekje meldt zelf: "Er is allereerst het grote zogenaamde 50-miljoencorpus, opgebouwd uit ongeveer tweeduizend verschillende gedrukte bronnen uit bijna alle denkbare domeinen. Daarnaast is er gebruik gemaakt van het 5-miljoencorpus: een corpus van voornamelijk dag- en weekbladen, journaalteksten en magazines. Als derde corpus [...] heeft een krantencorpus gefungeerd van 27 miljoen woorden met materiaal dat afkomstig is uit NRC Handelsblad uit de periode 1992 en 1993, en ander recent digitaal materiaal dat voorhanden is bij het INL.'' Bij elkaar opgeteld zijn dat 82 miljoen woorden (dat is gemiddeld vier woorden voor elke spreker van onze taal). Op Internet zijn nu al honderden miljoenen Nederlandse woorden te vinden en dat aantal wordt minstens een keer per jaar verdubbeld. Over een paar jaar hebben we misschien al een miljard woorden op Internet. (Daarop zou de redactie van het Groene Boekje trouwens tegen die tijd ook een verbeterde nieuwe editie kunnen baseren.)

You are crazy, I am happy?

Wat betekent dit nu in de praktijk? Om dat te achterhalen heb ik een klein onderzoekje uitgevoerd. In dit onderzoekje heb ik de woorden op drie willekeurige bladzijden uit het Groene Boekje (namelijk de bladzijden 100, 500 en 1000) aan twee zoekmachines op Internet: AltaVista en DejaNews. De eerste maakt een index op enkele miljoenen webpagina's, de laatste op vrijwel alle berichten die er verstuurd worden via enkele tienduizenden nieuwsgroepen. In beide gevallen heb ik alleen gezocht naar Nederlandstalige documenten.

In totaal bevatten de drie pagina's van het Groene Boekje 331 woorden. Daarvan kon ik er 311 (94%) op webpagina's vinden door alleen gebruik te maken van AltaVista. Samen vonden AltaVista en DejaNews er 314 (95%). Alleen de woorden architectuurtaal, are, arendsneus, argentaan, armbestuur, armoriaal, armworp, lease-activiteit, lebaal, lebbe, lectuurgids, leedgevoel, leefmileuverordening, waterstofsuperoxide, waterverdrag, waterzuiveringstablet en watjekouw staan wel in het Groene Boekje terwijl ze via Internet niet te vinden zijn. Het enige naar mijn gevoel min of meer alledaagse woord in dat rijtje is are. De reden dat dit woord niet te vinden is, is waarschijnlijk dat zoekmachines woorden die op enkele tientallen miljoenen pagina's staan, gewoon overslaan. Het woord are is zo'n woord. Het is een hele toer om een Engelstalige tekst te schrijven zonder dit woord te gebruiken: You are crazy, we are happy. Kennelijk wordt het daarom zelfs in niet-Engelstalige teksten overgeslagen.

Curieus is in dit verband dat in de inleiding van het Groene Boekje drie woorden genoemd worden die geschrapt zijn sinds de vorige druk, uit 1954, omdat ze niet langer in gebruik zouden zijn: zwamp, zwirrelen en afbiljoenen. Het eerste van deze drie blijkt op Internet echter wel degelijk nog af en toe gebruikt te worden. (Misschien is het daardoor ook alsnog, ondanks de doem die er in de inleiding over wordt uitgesproken, ook in de woordenlijst opgenomen.)

Maar we zouden eigenlijk de tussenklanken onderzoeken. Zoals uit bovenstaand lijstje blijkt, is het woord armbestuur niet op Internet te vinden. Wel zijn er meerdere Internet-pagina's waarop de vorm armenbestuur gebruikt wordt. Dat woord staat dan weer niet in het Groene Boekje, terwijl ik toch inderdaad ook eerder geneigd zou zijn om het tweede woord te gebruiken dan het eerste. Ik vertrouw hier dus meer op het netwerk dan op het Groene Boekje.

Een aparte categorie vormen de samenstellingen met leeftijd-. Het Groene Boekje geeft voor sommige samenstellingen zowel een vorm mét als een vorm zónder de tussenklank s: leeftijdgenoot/leeftijdsgenoot. Ook van de afgeleide vorm op -loos kunnen we allebei de vormen vinden: leeftijdloos/leeftijdsloos. Van de meeste vormen bestaat er volgens de woordenlijst van het Groene Boekje slechts één variant: de vorm met de s. Wie op Internet gaat zoeken, ziet dat de werkelijkheid in dat corpus gevarieerder is dan in de bronnen voor de woordenlijst. Alle samenstelling met leeftijd- worden ook wel eens gebruikt zonder tussenklank. Een korte zoektocht op Internet leert ons dus dat de volgende woorden in de Woordenlijst ontbreken: armenbestuur, leeftijdafhankelijk, leeftijdbewust, leeftijdcategorie, leeftijdcriterium, leeftijddiscriminatie, leeftijdfase, leeftijdgebonden, leeftijdgroep, leeftijdklasse, leeftijdopbouw, leeftijdverschil.

Wie van taal houdt, heeft niet genoeg aan het Groene Boekje. Niet alleen omdat de nieuwste woorden er niet in staan, maar ook omdat het gebaseerd is op een te kleine verzameling teksten. Wie van taal houdt, wie niet genoeg kan krijgen van taal, doet er beter aan een aansluiting op Internet nemen dan welk boek dan ook te kopen.

Jaloezieën

Behalve taalgenieters kunnen ook anderen zoekmachines benutten. Taalhaters en taalmijders, bijvoorbeeld, die woordgebruik willen opsporen dat ze niet bevalt, om dergelijk woordgebruik met wortel en tak uit te roeien.

Zo werd mij een tijdje geleden duidelijk gemaakt dat ik het publiek vals had voorgelicht, de economie schade had berokkend, een onrechtmatige daad had begaan en dat alles door negen woorden te schrijven op de weblocatie van Onze Taal: ``Chocomel, luxaflex, en andere merknamen die soortnaam geworden zijn.'' De advocaat van de benadeelde partij vroeg me in een brief die woorden ``ten spoedigste'' te verwijderen. Ik bleek niet de enige overtreder te zijn. Tientallen Nederlanders hebben de afgelopen jaren een vergelijkbare fout gemaakt. Ze zijn allemaal aangeschreven, of zullen binnenkort een dergelijke brief krijgen.

Die advocaat werkt voor Hunter Douglas Industries, de firma die ooit de merknaam Luxaflex® bedacht voor haar jaloezieën. Volgens hem was mijn bewering over luxaflex ``feitelijk en juridisch onjuist''. Er was hier sprake van een geregistreerde merknaam die men niet als soortnaam mocht gebruiken. Ik had inbreuk gemaakt op het merkenrecht.

Piep

Ik houd op de weblocatie van Onze Taal een overzicht bij van alles wat er op Internet over taal te vinden is. Zo maakte ik een paar maanden geleden een verwijzing naar een pagina die een liefhebber had gewijd aan merknamen die soortnaam geworden zijn. `Aspirine' is het bekendste voorbeeld van dit verschijnsel; ooit bedacht als merknaam door Bayer is het nu de gangbare term voor een bepaalde pijnstiller. Maar `chocomel' en `luxaflex' leken mij ook aardige voorbeelden en daarom nam ik ze in mijn overzicht op. Wie vraagt om een glas warme chocomel krijgt niet altijd een product van Nutricia, en wie de luxaflex sluit, trekt vaak niet aan een koord van de firma Hunter Douglas.

Volgens de advocaat van Hunter Douglas, mr. K. Limperg van het Haagse advocatenkantoor De Brauw Blackstone Westbroek, geeft het bedrijf veel geld uit om zijn product naamsbekendheid te geven bij een groot publiek, en wil het niet dat de concurrenten daarvan profiteren. Dus doet het er alles aan om te voorkomen dat de naam luxaflex tot soortnaam verwordt. Het kamt bijvoorbeeld Internet uit op zoek naar onrechtmatig gebruik van die term. Iedereen die het woord luxaflex op Internet gebruikt, krijgt een brief. Er is bijvoorbeeld een elektronisch tijdschrift (Ouders Online, http://www.ouders.nl/) waar jonge ouders vragen kunnen stellen aan een kinderarts. Op een bepaald moment werd er gevraagd wat er gedaan kon worden voor een kind dat allergisch was voor huisstofmijt. ``De gordijnen wegdoen'', adviseerde de kinderarts, ``en luxaflex ophangen.'' Maar dat mocht niet van Hunter Douglas.

``We hebben even overwogen om niet toe te geven'', zegt Henk Boeke, de hoofdredacteur van Ouders Online. ``Al was het maar omdat we het bericht intussen hadden opgenomen in ons elektronische archief. Het was vroeger in Rusland misschien gebruikelijk om zo af en toe de archieven te veranderen, maar dat advocaten nu in Nederland hetzelfde eisen is treurig.'' Uiteindelijk besloot Boeke Hunter Douglas zijn zin te geven en de gewraakte merknaam in het stukje te vervangen door `*piep*'.

Ouders

Boeke is een beetje moegestreden. De naam van zijn tijdschrift had hem ook al voor juridische problemen gesteld: het uitgeversconcern VNU spande twee keer een rechtszaak tegen hem aan omdat hij met de naam Ouders Online inbreuk zou hebben gemaakt op het merkenrecht. Het concern brengt namelijk zelf het blad `Ouders van nu' uit en meende daarom recht te hebben op het woord ouders. ``Hoewel we beide zaken wonnen, heeft de hele procedure ons enorm veel geld gekost'', zegt Boeke. ``De verliezer moet namelijk formeel de proceskosten betalen, maar in de praktijk komt het erop neer dat de rechter een bedrag vaststelt dat moet worden uitgekeerd. In ons geval was dat vastgestelde bedrag nog geen vijfde van de kosten die we werkelijk hadden gemaakt. Dat konden we ons geen tweede keer veroorloven.''

In hoeverre hadden de advocaten van Hunter Douglas ``feitelijk en juridisch'' gelijk? In de twaalfde druk van Van Dale staat bijvoorbeeld een omschrijving van de woorden chocomel en luxaflex, zij het dat over de laatste wordt opgemerkt dat het ``oorspronkelijk een merknaam'' was. Maar volgens de advocaat van Hunter Douglas was dit een fout van Van Dale die in een volgende editie van het woordenboek wordt rechtgezet. ``Mensen komen steeds met Van Dale aanzetten als we ze aanschrijven. Maar Van Dale is óm.'' Volgens hem is de bewering ook feitelijk niet juist. ``Hunter Douglas maakt sinds een paar jaar ook jaloezieën met verticale lamellen. Sindsdien weet vrijwel iedereen dat de term luxaflex niet als soortnaam wordt gebruikt. Als u nog zonder meer zegt dat u de luxaflex dichtdoet, bent u wel erg ouderwets.''

Walkman

De redactie van Van Dale bevestigt dat in de volgende editie van het woordenboek het Ò -teken voor geregistreerde handelsmerken zal worden toegevoegd aan het woord luxaflex. Bovendien komt in de omschrijving te staan dat het ook nu nog een merknaam is. De redactie heeft een uitgebreide correspondentie gevoerd met advocatenkantoren van verschillende bedrijven. De uiteindelijk gekozen oplossing is een compromis – de advocaten wilden oorspronkelijk dat het woord helemaal niet in het woordenboek zou verschijnen.

De redactie van Van Dale zegt alleen handelsmerktekens te plaatsen als er grote juridische druk wordt uitgeoefend. Dat is dus gebeurd in het geval van luxaflex, en in de twaalfde druk al bij het woord walkman, waarop Sony zijn rechten heeft doen gelden. Men heeft kort overwogen om helemaal niet toe te geven aan de eisen van de advocaten, maar uiteindelijk vanwege de verwachte juridische rompslomp besloten tot een overeenkomst te komen.

Merkenmaffia

Het is verontrustend dat de redactie van Van Dale zich bij de samenstelling van haar woordenboeken laat leiden door andere criteria dan lexicografische: het woordenboek zou woorden die algemeen gangbaar zijn ook als algemeen gangbaar moeten opnemen. Bovendien is het onduidelijk hoe ver bedrijven kunnen gaan. Vorig jaar maakte de Stichting Vrijmerk bekend dat het geprivatiseerde bedrijf KPN een groot aantal tamelijk gangbare woorden als handelsmerk geregistreerd had – woorden zoals postkantoor en gelukstelegram. Lopen we niet het risico dat ook dat soort termen in een toekomstige druk van allerlei commerciële ornamenten worden voorzien? Van wie is onze taal eigenlijk?

De Stichting Vrijmerk verzet zich tegen de aggressieve manier waarop bedrijven en advocatenkantoren vermeende rechten op namen beschermen. ``Het lijkt er op dat er een merkenmaffia aan het ontstaan is die een soort taalmonopolie wil creëren voor de grote bedrijven,'' zegt Micha Kat van de stichting. Kat nam samen met een kennis het initiatief voor deze stichting na de berichtgeving over de rechtszaak tussen Ouders Online en VNU. Dit najaar dient de eerste grote zaak; de tegenstander is dan de KPN. ``De KPN heeft zelf een aantal geregistreerde merken teruggetrokken, zoals 06-nummer, verjaardagspost, postkantoor en telegram. Maar een aantal andere termen, zoals het Net en wisselgesprek zijn blijven staan. Daarover dient dit najaar een rechtszaak in Groningen.''

Dwangsom

Met de rechtszaak wil Vrijmerk niet alleen bereiken dat KPN afziet van zijn rechten op `het Net', maar ook de burgers duidelijk maken dat ze zich niet moeten laten intimideren door het juridische geweld dat bedrijven over hen kunnen afroepen. Micha Kat: ``Een schrijnend geval was dat van een echtpaar in Drente. Die mensen hadden een boerderij, maar konden daar niet goed van leven. Ze besloten er een klein hypotheekadvieskantoortje aan huis bij te beginnen. Dus hingen ze een bord aan hun boerderij met het woord hypotheekadviescentrum erop. Na verloop van tijd kregen ze een brief dat dit woord geregistreerd was door een grote hypotheekmakelaar die door dit bord aan de boerderij `aanzienlijke schade' leed, en dat ze het daarom moesten verwijderen op straffe van een dwangsom van vijfduizend gulden per dag. Die mensen wisten niet beter en hebben het bord maar weggehaald. Terwijl ze een eventuele rechtszaak waarschijnlijk gewonnen hadden. Sinds januari 1996 wordt een woord als `hypotheekadviescentrum' gezien als te beschrijvend om nog wettelijk gedeponeerd te kunnen worden. Voor die tijd lagen de zaken anders en konden bedrijven vrijwel elk woord registreren als merknaam. Maar nu maken bedrijven en advocaten nog steeds misbruik van de regelloosheid van vroeger.''

Een modernere juridische methode om gangbare termen te registreren is via het beeldrecht. ABN Amro heeft op die manier bijvoorbeeld `de Bank gedeponeerd. Toen een politiekorps onlangs enkele duizenden potloden had laten maken waarop te lezen stond dat men bij de politie de baan kon krijgen, moest het korps deze potloden uiteindelijk onder druk van ABN Amro vernietigen.

Taalkalender

Volgens Rik Smits, die voor NRC Handelsblad een column schreef over de luxaflex-kwestie onder de naam *piep*, maken de bedrijven zich ten onrechte zorgen over het effect van het algemeen gebruik van hun merknamen als soortnaam. ``Ze moeten juist blij zijn met de gratis reclame. In Amerika spreken veel mensen over een hoover als ze het over een stofzuiger hebben. De fabrikant Hoover profiteert daar alleen maar van, want het is duidelijk dat iedereen die een échte stofzuiger, een échte hoover, wil hebben, bij Hoover moet zijn. Dat de makers van luxaflex Internet doorzoeken en iedereen bedreigen die hun merknaam gebruikt, is echt te gek voor woorden.''

Kunnen bedrijven nu in de toekomst ook daadwerkelijk voorkomen dat taalgebruikers het nog over taalkalenders, gelukstelegrammen of luxaflex hebben? ``Het lijkt me onwaarschijnlijk'', zegt de merkenrechtdeskundige Alfred Neyboom van het Amsterdamse advocatenkantoor Kennedy Van der Laar. ``Een term als luxaflex is nu dusdanig ingeburgerd dat het heel moeilijk zal zijn om het gewone gebruik ervan nog tegen te houden. Ook op Internet.'' Alleen de bewering dat luxaflex een algemeen gangbare soortnaam geworden is, zou iemand volgens Neyboom inderdaad in de problemen kunnen brengen. ``Juridisch zou je dat kunnen bestempelen als een onrechtmatige daad.''

Helaas is de pagina waarnaar ik op de weblocatie van Onze Taal verwees, van Internet verwijderd. Of de maker van de oorspronkelijke pagina ook een advocatenbrief gekregen had, heb ik niet kunnen achterhalen. Het verdwijnen van zijn pagina maakte het wel makkelijk om te voldoen aan het verzoek van de advocaten om de verwijzing van onze weblocatie te verwijderen. Het heeft weinig zin om te verwijzen naar een pagina op Internet die niet langer te vinden is. Als dat niet zo was geweest, had ik de gewraakte negen woorden graag laten staan. Wat er juridisch ook aan de hand mag zijn, ik wil graag man en paard noemen. Zonder daarvoor verantwoording te hoeven afleggen aan een bedrijf dat manÒ of paardÒ tot zijn eigendom heeft gemaakt heeft. Internet moet het domein zijn van de taalliefhebber, niet van de zuurpruimen of van de commercie.