5. Wenen als hoofdstad van het Nederlands

Marc van Oostendorp

Hoofdstuk uit het boekje Computers en taal, oorspronkelijk verschenen bij Sdu, Den Haag, 1999.

Er zijn geen taalgrenzen meer. Wie een computer heeft en een aansluiting op Internet, kan vierentwintig uur per dag Nederlands gebruiken, waar ter wereld die computer ook staat. Internet maakt van elke taal een wereldtaal. Ook voor de studie van de Nederlandse taal en literatuur bestaan er nauwelijks grenzen. Terwijl de meeste vaderlandse vakgroepen Nederlands kampen met slinkende studentenaantallen, groeit aan de universiteiten in het buitenland de belangstelling voor onze taal en onze cultuur. Onder andere door de nieuwe media wordt het steeds gemakkelijker voor buitenlandse studenten om kennis te nemen van onze taal en onze cultuur. Ze hoeven er hun studentenkamertje niet eens meer voor te verlaten, want op het beeldscherm kan het allemaal gebeuren.

Dan moet er alleenwel iets te beleven zijn op dat beeldscherm, en dat is wat er nu net aan schort. Als het aan Herbert Van Uffelen en Matthias Hüning ligt, gaat daar snel wat aan veranderen. De Vlaming Van Uffelen is als 'Gastprofessor' voor de neerlandistiek verbonden aan het Institut für Germanistik van de Universiteit van Wenen. Ook Hüning, een Duitse neerlandicus die in Leiden gepromoveerd is en die de drijvende kracht is achter de weblocatie, doceert in Wenen. De onderzoeksgroep waarin zij werken is officieel nog experimenteel, maar nu al veel actiever dan veel grotere, gevestigde groepen waar ook ter wereld. De weblocatie biedt een schat aan informatie over allerlei onderwerpen, en de plannen en ambities zijn nog veel groter.

Als hun Nederlandse collega's niet uitkijken, bouwen Van Uffelen en Hüning Wenen om tot de hoofdstad van het elektronische Nederlands. Waarom Wenen? Dat is alleen te verklaren uit het toeval: toevallig kwamen er nu uitgerekend in die stad een paar neerlandici bij elkaar die zo enthousiast waren dat ze webpagina's begonnen te maken. Dat had ook in Praag, Keulen, Londen of Utrecht kunnen gebeuren.

Met smaak vormgegeven

``In 1994 zijn we begonnen met een elektronisch documentatiecentrum voor de Nederlandse literatuur, een grote databank met gegevens over schrijvers en hun werk'', zegt Van Uffelen. ``We hebben dat in de loop van de jaren sterk uitgebreid. In 1995 hadden we een al prototype. In het najaar van 1997 brachten we een nieuwe versie uit die nog weer iets gebruikersvriendelijker, mooier, sneller en groter was.'' Sindsdien verschijnt er regelmatig een nieuwe versie.

Nu al is het documentatiecentrum voor de Nederlandse literatuur een van de grootste die er op Internet te vinden zijn. De (Nederlands- en Duitstalige) informatie is gegroepeerd rond twee thema's: `de Nederlandstalige literatuur in het buitenland', en `het Nederlandse taalgebied en Midden-Europa'. Beide onderwerpen kunnen op verschillende manieren bestudeerd worden. De gemakkelijkste manier is door een artikel op te vragen dat een overzicht geeft van een deel van het thema. Dat kan bijvoorbeeld een artikel zijn over de relaties tussen Nederland en Oostenrijk. Sommige steekwoorden in dat artikel kan de lezer aanklikken. Vervolgens zoekt een computer ergens in Wenen meer informatie over dat steekwoord in een grote databank met recensies, biografietjes, geluidsfragmenten, bibliografieën, foto's en andersoortige informatie.

De zoekpagina's zijn, net als de rest van de site, met smaak vormgegeven en bij elke verwijzing wordt een beschrijving gegeven van een of twee zinnen. Verder bevat de weblocatie van de Universiteit in Wenen een grote hoeveelheid verwijzingen naar – vooral wetenschappelijke – informatie over de Nederlandse taal, literatuur en cultuur. Er is een beschrijving van de geschiedenis van het Nederlands in drie talen (Duits, Nederlands en Engels), er is een groot overzicht van vertaalwoordenboeken Nederlands-Duits en er is een cursus Nederlands voor buitenlanders.

``Het is mooi,'' zegt Van Uffelen, ``maar we zijn nog lang niet tevreden. We willen nog veel materiaal toevoegen, en we zijn ook van plan daarvoor samen te werken met anderen, zoals de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, of het Nederlandse Productiefonds voor literaire vertalingen. Het werk dat gedaan moet worden om het Nederlands op het net te krijgen is zo enorm groot, dat niemand daarbij iemand anders in de weg hoeft te zitten. Het aantal mensen dat op Internet werkt is eerder te klein dan te groot.''

Als Van Uffelens ideale systeem er ooit komt, kunnen alle Europese lezers er terecht. De Nederlandse of Vlaamse lezer krijgt een indruk van de ontvangst die zijn lievelingsschrijver in het buitenland ten deel is gevallen. De buitenlandse lezer kan er vinden welke boeken van zijn favoriete Nederlandstalige auteur er nog meer vertaald zijn. Ook kan hij er meer informatie vinden over de Nederlandse literatuur in het algemeen. Vanuit het centrale punt in Wenen zal iedereen met belangstelling voor de Nederlandse letteren met een paar muisklikken de informatie kunnen bereiken die in heel Europa verzameld is.

Het ideaal van Van Uffelen en Hüning is dat er een internationale groep mensen voor een aantal jaar kunnen samenwerken om een wat groter project op te zetten. ``Dat zouden er bijvoorbeeld een paar in Nederland kunnen zijn, en een paar in Vlaanderen. Plus een groepje hier, in Wenen.'' Die groep zou een grote weblocatie over het Nederlands moeten bouwen en tegelijkertijd een model ontwikkelen waarmee anderen aan het werk kunnen.

Het blijkt moeilijk om zo'n project van de grond te krijgen. De subsidiegevers waren een aantal jaar geleden sceptisch over het nut van elektronische media en hoewel het nu meer in de mode is om elektronische publicatiemogelijkheden in de overheidsretoriek te betrekken, worden de werkelijke kosten van de bouw van een goede weblocatie weleens onderschat. Bovendien blijkt het moeilijk om een weg te vinden in de warwinkel van subsidieregelingen van onder meer de Nederlandse, Vlaamse en Oostenrijkse overheid, de Nederlandse Taalunie en de Europese Unie.

Er is nog een probleem: iedereen wil wel iets op Internet doen, maar dan wel op de eigen weblocatie. Een ander gevolg het merkwaardige misverstand dat je bezoekers aan een weblocatie `zolang mogelijk vast moet houden' is dat webredacteuren denken dat ze moeten voorkomen dat hun bezoekers doorklikken naar andere weblocaties. Volgens mij moet het niet de bedoeling zijn om mensen vast te houden, maar om ze terug te laten keren. En koppelingen zijn daarvoor een uitstekend middel: sinds jaar en dag zijn zoekmachines en Internet-catalogi de populairste informatieleveranciers op Internet. Zij zijn de hoofdsteden van Internet, de plaatsen waar iedereen wel een keer komt, de plaatsen waar de belangrijkste dingen gebeuren. Waar het gaat om de Nederlandse taal en cultuur zie je ook langzaam maar zeker een paar kandidaat-hoofdsteden ontstaan. De belangrijkste ervan staat wat mij betreft in Wenen.