14. Bondig en hoofdletterloos

Marc van Oostendorp

Hoofdstuk uit het boekje Computers en taal, oorspronkelijk verschenen bij Sdu, Den Haag, 1999.

We praten door microfoontjes en luisteren naar luidsprekers, we tikken met onze vingers op plastic knopjes waarop letters zijn afgedrukt en lezen gekleurde letters op glazen beeldschermen. De taal komt in allerlei nieuwe gedaanten tot ons. Dat zal de taal dus wel veranderen, denken veel mensen.

Ik deel die gedachte niet. In de eerste plaats zijn er nog steeds veel te weinig mensen die een verbinding hebben met Internet. Er is misschien een kwart van alle Nederlandstaligen op Internet aangesloten en dat lijkt me een optimistische schatting. Die mensen besteden gemiddeld misschien een uur per dag aan Internet – dat is slechts een fractie van hun tijd. Het is mij niet duidelijk waarom een minimale tijdsbesteding van een kleine groep mensen de taal ingrijpend zou kunnen veranderen.

In de tweede plaats hebben communicatiemiddelen maar een heel geringe invloed op onze taal en kan die invloed bovendien in de loop van de tijd veranderen. Wat is bijvoorbeeld de bijdrage van de uitvinding van het schrift geweest aan de veranderingen in ons taalgebruik? Er is misschien een tijd geweest waarin alleen heel belangrijke dingen werden opgeschreven en in die tijd had je kunnen denken dat `het schrift onze taal plechtiger gemaakt heeft'. Maar sinds lange tijd worden ook de banaalste en de obsceenste dingen opgeschreven zonder dat het schrift essentieel veranderd is. Op dezelfde manier heeft het weinig zin om nu al te roepen dat Internet de taal sneller, vluchtiger en oppervlakkiger maakt. Over honderd jaar zijn kerkdiensten misschien wel alleen nog via het netwerk te benaderen en wordt Internet gezien als een traditionele manier om plechtige boodschappen uit te dragen.

Een derde reden om te denken dat computers en Internet uiteindelijk waarschijnlijk maar weinig invloed zullen hebben op onze taal, is dat de techniek nog steeds zo snel verandert. Er zijn mensen die denken dat de mensheid met de komst van e-mail weer gaat schrijven. Tien jaar geleden zag het ernaar uit dat het schrijven van brieven definitief uit de mode geraakt was, zeggen die mensen, en kijk nu eens hoeveel e-mailberichten de gemiddelde puber elke dag uit zijn toetsenbord tovert. Hoe waar dit ook is, volgens mij hebben we ook hier uiteindelijk met een momentopname te doen. Als je over enige tijd gesproken tekst via Internet kunt versturen zal de geschreven e-mail weer even snel uit de gratie raken bij de gemiddelde tiener als hij er nu ingekomen is. De pubers van nu zullen nog eens in nostalgie omzien naar hun eigen jeugd waarin zij tenminste wisten wat echt schrijven was.

De taal verandert onmiskenbaar en de technieken waarmee wij mensen taal met elkaar uitwisselen verandert tegelijkertijd ook. De gedachte dat het een de oorzaak is van het ander, is aantrekkelijk, maar niet per se juist.

Hi mo mv

Nu zou ik zo'n taal best willen ontdekken. Ik ben een taalkundige en zoals er voor een bioloog vermoedelijk niets mooiers is dan het ontdekken van een nieuwe soort wilde orchidee, zo zit de carrière van een taalkundige gebakken als hij een geheel nieuwe taalvorm kan aanwijzen. Helaas is het me nog niet gegund. Eén keer heb ik er dicht tegenaan gezeten en bijna gedacht dat ik inderdaad een nieuwe, authentieke Internet-taal had ontdekt. Dat was in een Internet-babbelbox. Ik heb de aanwezigen er nog niet gegroet, of ik werd er met vragen overstelpt. `Hi mo mv?' vroeg iemand, en voor ik had kunnen antwoorden, wilde iemand anders weten: `mo: sept?' en bleek een derde gekweld te worden door de vraag: `mo mirc?'

Ik was nieuw in deze groep en moest ontgroend worden, zoveel was duidelijk. Gelukkig had ik een gids bij me, een studente van negentien die bijna elke dag met de vragenstellers omging. Ze duwde me weg van het toetsenbord waarmee ik me zojuist had voorgesteld en het beeldscherm waarop de vragen werden afgevuurd. Razendsnel voerde ze een paar handelingen uit met de computermuis en tikte toen een geruststellend bericht: `mo ok.' Dat begreep ik. Ik had mijn naam zelf afgekort tot `mo', en `ok' hoopte ik ook te zijn.

Man of vrouw?

Eindelijk leek het me dan te lukken op een van de duizenden elektronische babbelboxen die er op Internet zijn. Die babbelboxen worden IRC-kanalen genoemd. IRC staat voor Internet Relay Channel en wordt wereldwijd volgens mij vooral gebruikt door scholieren, studenten en door radiojournalisten die iets moderns willen doen en dan een IRC-kanaal openstellen waarop luisteraars hun commentaar kunnen intikken. (Meestal is het aldus geleverde commentaar overigens van zo'n laag niveau dat het experiment de tweede uitzending niet haalt.) Het systeem werkt razendsnel: een regel tekst die je intikt, verschijnt vaak binnen een of twee seconden op het scherm van de andere gebruikers, waar ter wereld die zich ook bevinden. Als je deelneemt aan een levendige discussiegroep, draaien er dan ook voortdurend mededelingen over je scherm.

Het is de bedoeling dat je snel reageert en daarom moet je snel tikken, en geen mededeling langer maken dan strikt noodzakelijk is. Echte IRC'ers maken daarom veel gebruik van afkortingen. In de vragen die op mij werden afgevuurd, zaten er al drie. De eerste, mv, staat voor `man of vrouw'. Dat is een van de vaakst gestelde vragen aan nieuwkomers in IRC-groepen. ``Het verschil is alleen'', legt mijn begeleidster uit, ``dat je op een IRC-kanaal zelf kunt kiezen welk geslacht je aanneemt. De andere gebruikers zien immers toch niets meer van je dan de woorden die je intikt.'' Zelf doet ze zich vaak voor als een man, om opdringerige puberale vragen te vermijden.

Eeuwig september

Ook de tweede afkorting was kenmerkend: sept staat voor `september' en was in deze groep – net als op een paar andere plaatsen op het Nederlandstalige Internet – een codewoord voor een nieuwkomer. Tot een paar jaar geleden stond Internet alleen open voor studenten en medewerkers van universiteiten. Dat betekende dat het netwerk elk jaar werd overstroomd met nieuwelingen, eerstejaarsstudenten die allerlei beginnersfouten maakten en aan wie alles steeds opnieuw moest worden uitgelegd. Tegenwoordig is niemand meer aangewezen op een universitaire studie of betrekking om een Internetaansluiting te krijgen. Volgens sommige Internet-gebruikers is het daarom tegenwoordig `eeuwig september'. Er werd enkele jaren zelfs een Internet-krant opgericht voor verstokte oude rotten die deze poëtische naam draagt: nl.eeuwig.september. (De afkorting nl staat daarbij uiteraard voor Nederland.) Na een paar jaar werd deze nieuwsgroep de echte Internet-snobs overigens ook weer te druk: zij verhuisden en masse naar alweer een nieuw Internet-café: nl.eeuwig.zonde. Zoals je in sommige kringen goed moet opletten welke feestjes je bezoekt, moet je er als Internet-celebrity voor uitkijken dat je niet in de verkeerde groepen gesignaleerd wordt.

De afkorting mirc bleek zelfs nog typerender voor het gemiddelde IRC-gesprek. mIrc is de naam van een computerprogramma dat toegang geeft tot de IRC-afdeling van Internet. Er zijn tientallen programma's waarmee je hetzelfde kunt doen, maar op het moment dat ik dit gesprekje voerde in dit trendgevoelige groepje, waren die uit den boze. Dat soort zaken ligt minstens even gevoelig als de keuze van het juiste kledingmerk voor een middelbare scholier. mIrc is de Ralph Lauren van Internet. Met iemand die zich digitaal verkeerd kleedt, kun je je niet vertonen.

Een nieuwe taal?

Waren dit nu de nieuwe mores van Internet? Was hier een nieuwe taal aan het ontstaan? Een Internet-taal? Ik geloofde er toen al weinig van. Dit was een jargon dat toevallig gebruikt wordt op Internet. Ik heb kennisgemaakt met een groep jongeren met een eigen taaltje. Zulke groepen waren er allang voor de komst van Internet, al schoolden ze toen misschien niet samen op een Internet-kanaal maar op een dorpsplein. Sterker, ook veel IRC-groepen spreken van tijd tot tijd af in een café voor wat ze zelf een IRL-bijeenkomst noemen, een bijeenkomst `in real life', in levenden lijve. Maar dan verandert hun taalgebruik niet, behalve dat ze niet meer hoeven te tikken, maar hun mondje kunnen roeren.

Natuurlijk draagt het taaltje wel de kenmerken van het medium waarop het vooral gebruikt wordt: het is bondig en hoofdletterloos. Om een hoofdletter te maken moet je een extra toets indrukken. Dat kost tijd en doet af aan de levendigheid van de conversatie. Maar de taal draagt vooral het karakter van een geheimtaal, die zal verdwijnen op het moment dat dit groepje uit elkaar valt en die op dit moment ook door de meerderheid van de enthousiaste Internet-gebruikers niet of nauwelijks wordt begrepen.

Internet is niet één medium. Het biedt een groot aantal media, veel verschillende manieren waarop veel verschillende groepen mensen met elkaar kunnen communiceren, ieder op hun eigen manieren. IRC is maar een van die manieren. Er zijn er op dit moment nog drie die minstens even populair zijn: de nieuwsgroepen, het `wereldwijde web' (kortweg het Web) en `elektronische post' (e-mail).

De nieuwsgroepen vormen de muurkrant van Internet. Er zijn nieuwsgroepen over enkele tienduizenden onderwerpen, variërend van het naakte lichaam van Pamela Anderson tot en met de kleinedeeltjesfysica. Iedereen die dat wil, kan in een nieuwsgroep een berichtje plaatsen over dat onderwerp. Zo'n berichtje wordt in een paar dagen over de hele wereld verspreid en blijft vervolgens dan nog een paar dagen op een nieuwsgroep staan. Belangstellenden kunnen erop reageren en zo kan er een discussie ontstaan die soms een beetje lijkt op een discussie op IRC – al gaat de gedachtewisseling niet zo snel in een nieuwsgroep als in een babbelbox.

De deelnemers aan die discussies vormen soms naar hun eigen gevoel een hechte gemeenschap, ook als ze elkaar nog nooit gezien hebben. Bovendien is, in ieder geval naar mijn smaak, de grootste taalvirtuositeit van het hele Internet te vinden op de nieuwsgroepen. Er zijn een paar deelnemers aan de Nederlandstalige nieuwsgroepen die hun taal op een heel bijzondere manier weten te gebruiken – een manier die helemaal toegesneden is op het medium en die bovendien iets persoonlijks weet uit te drukken. Je vindt dat soort mensen ook niet alleen in de nieuwsgroepen die specifiek op taal of literatuur gericht zijn, zoals nl.taal en nl.kunst.literatuur. Juist in de `algemene' nieuwsgroepen zonder vast thema, de dorpskroegen van Internet, vind je de kleurrijkste figuren.

De beroemdste van al deze figuren heet – of noemt zichzelf – Truus de Wit. Zij schrijft berichtjes die nooit langer zijn dan een zin, en meestal korter: één of twee woorden (`Onzin', `weer veters', `Rotterdam is wereldstad'). Bovendien lijken die berichtjes nogal veel op elkaar. Afgezien van die korte berichtjes is er weinig tot niets over Truus de Wit bekend; interviews staat ze alleen toe via de elektronische post. Ondanks dit alles heeft Truus zich een zo grote bekendheid weten te verwerven, dat er een boek over haar verschenen is: Truus = Truus van Margot Lagendijk. Dat boek is natuurlijk ook op Internet te lezen en wel op een door Lagendijk aan De Wit gewijde weblocatie: www.truus.com.

Truus de Wit is alles wat een Internet-schrijver moet zijn: kort van stof, to-the-point, mysterieus en lichaamloos. Doordat ze kort van stof en to-the-point is wordt ze bovendien door anderen nog weleens verkeerd begrepen: ook een permanent wanbegrip van iedereen voor iedereen is een kenmerk van de discussiegroepen op Internet, waar berichten immers razendsnel worden gelezen en geschreven. Wanbegrip, en onbesuisde woede in reactie op wanbegrip, vormen de kern van menige discussie. In het geval van Truus de Wit betreft het wanbegrip meestal de toon van haar bijdragen, die door sommigen voor bot wordt aangezien. ``Ben niet bot'', schrijft De Wit dan terug.

Truus de Wit is lichaamloos in de zin dat niemand haar ooit in levenden lijve heeft mogen ontmoeten. De kans is groot dat ze alleen bestaat in de hoofden van haar lezers. Wat die over haar weten, moeten ze afleiden uit haar stijl. Die heeft sommigen ertoe aangezet om te veronderstellen dat Truus wel eens de zus zou kunnen zijn van Jerommeke, de breedgeschouderde stripfiguur uit Suske en Wiske, die ook praat in korte, half afgemaakte zinnen. Truus wijst dat soort veronderstelde overeenkomsten beslist van de hand: ``Heb geen broer.''

Truus de Wit bestaat alleen in haar woorden en die woorden zijn gering in aantal. Ze is gemaakt van het soort taal dat de ronde doet op Internet. En in zekere zin deelt ze dat lot met vrijwel alle schrijvers in de nieuwsgroepen: ze zijn niet beroemd, ze komen nooit op de televisie, de radio of in de krant. Wat we over ze menen te weten, hebben we afgeleid uit wat ze schrijven. Iedereen die aan een Internet-discussie deelneemt, maakt daarmee van zichzelf een soort romanpersonage, dat alleen uit taal bestaat.

Natuurlijk zijn er mensen die proberen te achterhalen wie er nu eigenlijk achter die Truus zit, maar dat is flauw en ook een onmogelijke onderneming. Truus zelf reageert op die pogingen dan ook terecht met één zinnetje: ``Truus=Truus''. Truus is geen grap en geen mystificatie: ze is de nieuwe mens, een mens van taal.

In een handomdraai publiek

Het Worldwide Web is het deel van Internet dat de meeste belangstelling trekt, het grafische deel waarop allerhande bedrijven, organisaties en particulieren hun informatie op een aantrekkelijke manier openbaar kunnen maken. Miljoenen mensen publiceren op het Web. Voetbalsupporters, ontwerpbureaus, sekteleden, internationale bankinstellingen, lokale harmonieverenigingen, katholieke gezinnen en liefhebbers van buitenissige erotische handelingen hebben allemaal het web ontdekt als een manier om ideeën, plannen, meningen en notulen in een handomdraai voor de hele wereld publiek te maken.

Er is geen enkele reden om te denken dat die mensen veel gemeenschappelijk hebben in hun taalgebruik. Wel zijn er een paar stelregels te bedenken waaraan een goede webpagina moet voldoen. Hij moet bijvoorbeeld zo bondig mogelijk zijn, omdat mensen bij het lezen van een flikkerend beeldscherm nu eenmaal veel minder geconcentreerd zijn dan bij het lezen van papier. Maar ik zou de webpagina's waarop die stelregel overtreden wordt, niet willen missen. Juist heel erg lange documenten die te duur zijn om af te drukken maar die misschien toch ooit een enkele lezer kunnen vinden, zijn bijzonder geschikt om op het web af te drukken: verslagen van gemeenteraadsvergaderingen, archieven van schoolkranten en alle notities en kattebelletjes van Louis Couperus. Wie ze wil hebben, kan dingen op zijn scherm halen die verder niemand wil lezen.

Een fascinerend voorbeeld zijn on-linedagboeken. Wie wil er het dagboek van iemand anders lezen? Het dagboek van een vriendin, een baas of een mysterieuze collega heeft misschien iets aantrekkelijks – maar die doelgroep is te klein om een uitgeverij te interesseren. En wie wil er elke dag de wederwaardigheden van een grafisch vormgever van Nederlandse afkomst uit Utrecht vernemen?

Ik.

Sommige mensen bevredigen hun voyeuristische neigingen door elke dag hun buurvrouw over haar sores uit te horen, anderen bekijken soaps of vermeien zich in Het Bureau. Ik vind het leuker om het getob en het gedoe in de openbare dagboeken van volkomen onbekenden te lezen. Ik heb een paar favorieten, die ik elke paar weken opzoek om te lezen hoezeer ze verlangen naar een nieuwe baan, hoe gelukkig ze in de liefde zijn en hoe ziek hun jongste dochtertje is. Het is allemaal weinig spectaculair, dat geef ik toe, en het is bovendien vaak ook weinig spectaculair opgeschreven. Een uitgever zullen die schrijvers ook nooit voor hun boeken vinden. Waarom die schrijvers hun belevenissen op deze manier wereldkundig maken, weet ik niet. Er zijn natuurlijk ook echte exhibitionisten, die vooral allerlei escapades te boek stellen, maar van hun dagboeken houd ik minder dan van de enigszins saaie en burgerlijke. Ik denk dat de echte Internet-dagboekschrijver juist zijn alledaagsheid aan de wereld tonen wil. Waar je vroeger een fraaie stijl, een interessante persoonlijkheid of een opvallende mening moest hebben om te kunnen publiceren, mag je nu ook een slechte schrijver zijn en niets te melden hebben om je dagboekje op Internet bij te houden. Sommige mensen gruwen daarvan. Maar ik geniet.

Ik kan ook wel wetenschappelijke en maatschappelijke argumenten bedenken om de aanwezigheid van die dagboekjes te rechtvaardigen. Ze geven een uniek inkijkje in het leven van alledag. Een paar jaar geleden organiseerden een paar instituten voor volkscultuur een dag waarop zoveel mogelijk mensen een `brief aan de toekomst' zouden schrijven. In die brief zouden ze hun wederwaardigheden van die ene dag schrijven. Op die manier zouden sociologen, taalkundigen, volkskundigen en andere wetenschappers nu en in de toekomst een inkijkje krijgen in het alledaagse leven, in de alledaagse taal, in de gebruiken van alle dag: het soort leven, het soort taal en het soort gebruiken waarover achteraf vaak juist maar zo weinig te achterhalen is. Dat was een mooi project, maar over vijfentwintig jaar hoeft het hopelijk niet meer herhaald te worden, omdat dan genoeg mensen over de hele wereld permanent hun dagelijks leven documenteren. (En dat dan niet alleen in taal: er zijn ook al mensen die permanent een camera hebben opgesteld in hun huiskamer.) Internet is een broedplaats voor het verhevene en het ordinaire. Nu vind je er al voorbeelden van de eigenaardigste ideeën die in een mensenhoofd kunnen opkomen.

Door Internet te bestuderen leer je dus veel van de mens te begrijpen – je zou er bijna voor pleiten om elke scholier de week voor zijn zestiende verjaardag op te sluiten in een kamer met alleen een Internet-computer. Maar zo'n pleidooi is nodig. De attracties van Internet zijn groot genoeg om het zonder verplichtingen te kunnen doen – en het belangrijkst van alles zijn de attracties van het alledaagse.

Filmpjes van wilde orchideeën

Er zijn ook wel technisch bijzonderheden te bedenken die de stijl van de gemiddelde webpagina onwillekeurig beïnvloeden. Iemand met een Internet-aansluiting kan zoveel materiaal op Internet zetten als hij of zij kan produceren. Een eindredactie ontbreekt, en daardoor zijn veel webpagina's nogal slordig – of zo u wilt: spontaan – van taalgebruik. Maar ook hierop zijn veel uitzonderingen. Zo wordt het Web van oudsher gebruikt door wetenschappers die er snel hun artikelen op kwijt kunnen in elektronische wetenschappelijke tijdschriften.

De meeste wetenschappelijke tijdschriften worden op universiteiten gemaakt. De auteurs schrijven daar hun artikelen, hun collega's beoordelen er de inzendingen en de redacteurs stellen er het tijdschrift samen en zorgen soms ook nog voor de vormgeving. Vervolgens brengen die redacteurs de klaargemaakte kopij naar de uitgever. Die betaalt geen van de medewerkers iets: zij worden allemaal door de universiteit betaald en hun baas stelt het zelfs op prijs als ze zoveel mogelijk publiceren. Een honorarium krijgen ze dus niet en dat is op zichzelf te billijken. Minder goed te verteren is dat de uitgevers vervolgens het materiaal naar de uitgever brengen en het dan voor veel geld aan hun klanten doorverkopen. Die klanten zijn dan weer precies dezelfde universiteiten en wetenschappers, die hiermee indirect commerciële uitgevers subsidiëren: de wetenschappelijke uitgeverijen behoren tot de rijkste en de machtigste ter wereld. En dat terwijl precies dit soort tijdschriften uitstekend via Internet te verspreiden zouden zijn: bijna alle wetenschappers hebben een Internet-verbinding en zijn gewend om dingen van het scherm te lezen of naar een printer te sturen. Bovendien kunnen sommige wetenschappelijke publicaties ook heel goed geïllustreerd worden met filmpjes: hier ziet u de nieuw ontdekte wilde orchidee van alle kanten; deze opname heeft onze ruimtesatelliet gemaakt. Het is dan ook geen wonder dat juist de wetenschappelijke tijdschriften steeds meer via Internet te raadplegen zijn. Ze worden vaak even zwaar geredigeerd als hun papieren tegenhangers en ze maken daarmee een einde aan het fabeltje dat er alleen onzin en rommel op het netwerk te vinden zou zijn.

E-mailberichten

Het is dus moeilijk een constante te ontdekken in het taalgebruik op webpagina's. Bij de berichten die via elektronische post verstuurd worden, is het niet gemakkelijker. Met elektronische post kan de ene Internet-gebruiker een privé-bericht versturen aan een andere Internet-gebruiker. Anders dan op het web of bij IRC is dat bericht dus niet openbaar, al worden er via elektronische post ook wel elektronische tijdschriften verzonden, soms naar tienduizenden abonnees tegelijkertijd. Ook voor elektronische post zijn wel een paar tendensen te ontdekken – zo gaan mensen eerder over tot je en jij dan ze in een brief of in een telefoongesprek zouden doen, en laten ze aanhef en ondertekening vaker weg – maar op al die tendensen zijn steeds ook veel uitzonderingen te vinden. Ik krijg in ieder geval meermalen per week berichten die beginnen met `Geachte heer' en eindigen met vriendelijke groeten.

Uit onderzoeken blijkt dat de gemiddelde Internet-gebruiker steeds meer gaat lijken op de gemiddelde (Westerse) wereldburger. Was die gebruiker enkele jaren geleden nog een jonge, welvarende, hoogopgeleide, blanke man, tegenwoordig verhoudt het aandeel ouderen, minder welvarenden, minder hoogopgeleiden, minder blanken en vrouwen op Internet zich beter met de rest van de wereld. Een gevolg daarvan is dat ook het taalgebruik steeds gevarieerder wordt. Goed geformuleerde columns, onheilsprofetieën, poëtische ontboezemingen, in onbegrijpelijk jargon gestelde technische verhandelingen, noodkreten en vlotte reclamebabbels, het is allemaal op Internet te vinden en het moet daar ook allemaal te vinden zijn: er bestaat niet één unieke stijl voor Internet. Net zo min als er één unieke manier is waarop mensen mogen praten. Die rijkdom aan variatie, dat is mijn leven.