13. Schone letteren in nullen en enen

Marc van Oostendorp

Hoofdstuk uit het boekje Computers en taal, oorspronkelijk verschenen bij Sdu, Den Haag, 1999.

Omdat koninginnedag de uitgelezen dag is om voor weinig geld oude spullen te krijgen, liep ik in 1998 tijdens die dag over de Oudegracht in Utrecht op zoek naar klassieke Nederlandse literatuur. Dat viel niet mee. Er waren veel meer mensen op hetzelfde moment langs dezelfde gracht aan het wandelen en al waren die mensen niet allemaal op zoek naar de Litterarische Fantasieën van Conrad Busken Huet of naar een elektronische versie van de werken van Jacob van Maerlant, als je met tienduizenden koopjesjagers tegelijkertijd langs de smalle kades gaat, loop je elkaar toch in de weg.

Ik moest die dag in het centrum van Utrecht zijn omdat ik er een afspraak had gemaakt met Arjan den Boer. Hij heeft in die stad een rustig appartement waarin naast zijn aanrecht een groot bureau staat met een snelle computer, een groot beeldscherm, twee luidsprekers en een scanner. Achter dat bureau maakt hij cd-roms en websites voor musea, voor chique kunsthandelaren en voor armlastige archeologische verenigingen. Ik vind het werk van Den Boer heel mooi.

In het voorjaar van 1998 had hij een nieuw plan. Hij wilde een cd-rom maken met Nederlandse literatuur, een ruime bibliotheek met teksten van de vroeg-middeleeuwse dichter Heinric van Veldeken tot en met de Tachtigers, aangevuld met afbeeldingen, portretten, illustraties en met een uitgebreid geluidsarchief: Nederlandse liederen op muziek, en door prominente literatuurkenners voorgelezen teksten. Van de meeste teksten moesten er samenvattingen te vinden zijn, die studenten en scholieren zouden helpen om die teksten te benaderen. Om dezelfde reden moesten zoveel mogelijk teksten voorzien worden van woordverklaringen. Het mooiste wat er in de loop der eeuwen met de Nederlandse taal gedaan was, moest verzameld worden op een mooie cd-rom.

De Digitale Stad

Ik kende Den Boer al van Internet. In 1995 werd er in sommige kringen hoog opgegeven van de rijkdom aan informatie die er op het wereldwijde computernetwerk te vinden zou zijn, maar wie ging zoeken naar literatuur op dat netwerk, vond er slechts drie Nederlandstalige boeken. Daar waren twee romans bij, die er op het scherm allebei een beetje rommelig uitzagen: de Max Havelaar van Multatuli, die al jaren eerder door een anonymus was ingetikt en Nooit meer slapen van W.F. Hermans, die verzorgd was door een Groningse natuurkundige en die intussen vanwege auteursrechtelijke problemen allang niet meer op Internet te vinden is. En er was één smaakvol vormgegeven weblocatie met alle kwatrijnen van de dichter, romanschrijver en politiek activist Jacob Israël de Haan. Die website was gemaakt door Den Boer, die toen nog student was in Utrecht.

In dat jaar gebeurde er ineens van alles. Volgens mij was dat te danken aan de mensen van de Digitale Stad Amsterdam. Dat was een initiatief uit 1994 van onder andere de stad Amsterdam, het cultureel centrum De Balie en een paar commerciële partijen. Zij hadden de handen ineengeslagen om de burgers van Amsterdam gratis te laten kennismaken met de mogelijkheden van Internet. Ze wilden laten zien dat dit netwerk er niet alleen was voor puisterige pubers die elkaar onderling berichten in geheimtaal toestuurden over de beste manier om in te breken bij de NAVO, maar dat iedereen er interessante dingen mee kon doen. Op computerterminals in bibliotheken en andere openbare gebouwen in Amsterdam konden mensen gratis de `Digitale Stad' bezoeken, een miniatuur-Internet met onder andere overheidsinformatie, discussiefora en een e-mailmogelijkheid. Wie een modem kocht, kon ook vanuit huis gratis inbellen.

In 1994 zag je als je naar Internet keek, alleen cijfers en letters. De informatiepagina's die je bij de Digitale Stad kon bekijken, waren helemaal niet opgemaakt. Het Worldwide Web, de afdeling van Internet die je kunt bekijken met programma's als Netscape en Internet Explorer, en die door veel mensen nu gelijk wordt gesteld aan Internet, was nog maar net uitgevonden; je kon het alleen bekijken met een programmaatje dat steeds vastliep. De Digitale Stad maakte er nog geen gebruik van.

Dat gebeurde pas in 1995. Het experiment van De Digitale Stad, dat oorspronkelijk maar een paar weken zou duren, was zo'n succes dat het dom was geweest om ermee te stoppen. Het Worldwide Web had een doorbraak doorgemaakt en De Digitale Stad veranderde in een weblocatie.

De Opkamer van de elektronische literatuur

De metafoor van de stad werd doorgezet. Voor alle mogelijke thema's werden pleinen aangelegd en aan elk plein lagen gebouwen waar je informatie over dat thema kon krijgen. Er was bijvoorbeeld een plein voor de landelijke overheid waar een paar ministeries aarzelend informatie begonnen aan te bieden en een onderwijsplein vanwaar je de universiteiten en hogescholen kon bezoeken en waar je informatie kon krijgen over het middelbaar onderwijs. Ook werd er een boekenplein ingericht met een paar betalende huurders die de ruimte meefinancierden voor een paar idealistische groepjes die gratis ruimte kregen toebemeten. Behalve de Amsterdamse boekwinkel Scheltema, de Amsterdamse openbare bibliotheken en het weekblad de Groene Amsterdammer verschenen er daarom, behalve de presentatie van de kwatrijnen van De Haan door Den Boer, ook het eerste Nederlandstalige literaire tijdschrift (de Opkamer), de eerste index op literaire weblocaties over de Nederlandse literatuur (de Nederlandse Letteren) en de eerste bibliotheek met klassieke Nederlandse teksten in elektronische vorm (Laurens Jz. Coster; de Internet-adressen van de hier genoemde weblocaties vindt u in hoofdstuk 22).

;De Opkamer werd opgericht door de romanschrijver Hans van der Kamp en leidt het soort leven dat literair tijdschriften vaak leiden: soms verschijnt het maandenlang niet en dan, net als je denkt dat het blad definitief ter ziele is, komt er ineens weer een mooi nummer uit met aardige beschouwingen, humoristische verhalen en goede gedichten. Het tijdschrift is altijd smaakvol vormgegeven en hoewel er meer Internet-tijdschriften zijn, is de Opkamer nog altijd een van de beste. De tijd dat een literair tijdschrift op Internet gesubsidieerd zal worden, ligt waarschijnlijk nog ver van ons; net als de tijd dat de Gids of Raster of een ander deftig en gesubsidieerd blad zich zal verwaardigen zijn inhoud via het computerscherm aan te bieden.

Ook de Nederlandse letteren is mooi vormgegeven. Dit is een almaar uitdijende lijst met verwijzingen naar alles wat er over de Nederlandse literatuur te vinden is op Internet, die wordt samengesteld door de Amsterdamse antiquaar Piet Wesselman. Ook die lijst wordt soms een paar maanden niet bijgewerkt, maar altijd komt Wesselman weer terug en nog steeds is zijn lijst het beste die er is. Hoeveel officiële instellingen er ook zijn die het lezen willen bevorderen, geen ervan heeft een zo goed overzicht kunnen samenstellen als deze particulier.

;De Opkamer en de Nederlandse Letteren zijn allebei na verloop van tijd verhuisd uit de Digitale Stad. Dat geldt niet voor het Project Laurens Jz. Coster, een weblocatie waarop zoveel mogelijk Nederlandstalige klassieke literatuur – dat wil zeggen: literatuur waarvan de auteursrechten verstreken zijn – gratis via Internet verspreid wordt. Het Project Laurens Jz. Coster wordt gemaakt en gedragen door vrijwilligers: nog nooit heeft er iemand een cent mee verdiend. Desondanks bevat het nu al een aardig boekenplankje vol klassieken uit de Nederlandse literatuur: van Marieken van Nimwegen tot en met het werk van Paul van Ostaijen en van Vanden Vos Reynaerde tot en met Max Havelaar van Multatuli. Dat is meer dan de gemiddelde leraar Nederlands van zijn leerlingen zal durven eisen.

Waarom heet dat project Laurens Jz. Coster? Tot in de negentiende eeuw geloofden sommige Nederlanders dat Coster de `ware' uitvinder van de boekdrukkunst was, en niet de Duitser Gutenberg, zoals elders in Europa gedacht werd. (Dat de boekdrukkunst misschien veel eerder in China was uitgevonden, werd niet in het debat betrokken.) Nog altijd staat er in Haarlem een standbeeld van Coster, al zijn er nog weinig mensen die geloven dat hij een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van de boekdrukkunst. In 1995 werden de Engelse en de Duitse literatuur al enthousiast door groepen vrijwilligers overgetikt; in beide gevallen onder de naam Gutenberg Project. Zoals de eerste drukkers pionierden met een techniek die het aanzien van de westerse cultuur definitief zou veranderen doordat ze boeken onder handbereik brachten bij grote groepen mensen, zo zal ook het werk van de pioniers van de elektronische tekstedities een nieuwe revolutie teweegbrengen. Dat was de gedachte achter de naam Gutenberg en het was daarom goed en juist dat de Nederlandse tegenhanger in de Digitale Stad genoemd zou worden naar `onze eigen' Coster.

Het getto van de Nederlandse literatuur

Bij de eerste medewerkers aan het Coster-project waren maar weinig neerlandici en nog steeds worden de meeste nieuwe teksten ingestuurd door verpleegkundigen, computerprogrammeurs en scheikundigen. In zekere zin is dat verbazingwekkend, want je hoort buiten vakkringen niet vaak mensen praten over de roman Het Slot Loevenstein van de negentiende-eeuwse schrijver Van Oudshoorn. De oudere Nederlandse letterkunde lijkt een bijna exclusief domein van specialisten, die haar ook niet echt voor hun plezier lezen, maar er allerlei geleerde beschouwingen over schrijven. Af en toe proberen uitgevers weer om een serie op te zetten met Vaderlandse Klassieken. Een groot commercieel succes worden die series nooit. Je moet minstens op de universiteit werken om schrijvers die langer dan vijftig jaar dood zijn, te kunnen waarderen.

Laurens Jz. Coster laat zien dat er misschien iets mis is met de manier waarop neerlandici en uitgevers geprobeerd hebben de Nederlandse literatuur aan de man te brengen; dat ze onze literatuur gewild of ongewild in een getto hebben gebracht, waar ze niet zo gemakkelijk meer uitkomt. Terwijl er buiten dat getto best belangstelling voor bestaat. Het aardige van Internet is dat die mensen er elkaar ineens kunnen ontmoeten en gezamenlijk iets met hun liefde en belangstelling kunnen doen, zonder dat ze hun enthousiasme hoeven te laten sanctioneren door een letterkundeprofessor. Dat betekent dat het werk van die mensen soms amateuristisch is in de ogen van die professor. Toch heeft ook hij als hij slim is wat aan hun werk: hij kan het binnenhalen en verbeteren. Het `domme' werk – overtikken of scannen – hoeft hij niet meer dan in ieder geval dan niet meer te doen, want dat hebben de vrijwilligers in de Digitale Stad met hun enthousiasme voor onze taal en literatuur al voor hem gedaan.

Het Coster-project is dan ook een groot succes. De Max Havelaar is in vier jaar tijd naar schatting zo'n tienduizend keer opgehaald. Ik neem aan dat dit getal groter is dan de verkoop van de verschillende edities in de winkel. Andere boeken zijn nog niet zo lang via Internet beschikbaar of minder populair, maar van het lange gedicht Mei van Herman Gorter of het moeilijke toneelstuk Lucifer van Joost van den Vondel zijn in een paar jaar tijd ook al tienduizend kopieën verspreid. De vrijwilligers van Coster verspreiden elke dag een gratis Nederlandstalig gedicht aan iedereen die dat wil. Die dienst heeft enkele duizenden abonnees en hoort daarmee tot de grootste literaire tijdschriften van ons taalgebied. Hij krijgt geen cent subsidie maar afgezien van wat minimale kosten voor de computer en de Internet-aansluiting, kost het de meewerkende vrijwilligers ook niets. En die computer en die Internet-aansluiting hebben ze om andere redenen toch al.

Het einde in zicht

Toen het Project Laurens Jz. Coster in de Digitale Stad zijn huis aan het boekenplein opende, was ik daar nauw bij betrokken. Ik dacht dat het project binnen een paar maanden, hooguit een jaar, zou verdwijnen, dat het over zou gaan in de handen van beroepsletterkundigen. Sommige van die beroepsletterkundigen stuurden me ook al heel snel e-mails en zelfs handgeschreven brieven waarin ze ons probeerden af te houden van de oprichting van het Coster-project omdat dit een serieuze aanpak in de weg zou staan.

Omdat de plannen nogal vaag waren, zijn we toch maar alvast begonnen. Het materiaal dat we verzamelden kon altijd nog worden overgenomen door het grote wetenschappelijke project en intussen konden wij onze liefde voor de literatuur kwijt en en passant experimenteren met de technieken om Internet-pagina's op te maken die, zeker in het midden van de jaren negentig, steeds verbeterd werden. De een voorzag de gedichten van Staring rijkelijk van voetnoten, de ander maakte een nieuwe vormgeving voor gedichten van Paul van Ostaijen, waarbij de woorden letterlijk over elkaar heen buitelden.

Het Coster-project beperkte zich daarbij tot de teksten die auteursrechtenvrij zijn. Als een schrijver zeventig jaar dood is, wordt zijn werk normaal gesproken – er zijn een paar complicaties – publiek eigendom. Iedereen die dat wil, kan het uitgeven zonder dat hij daar aan de erfgenamen van de schrijver nog rechten over hoeft te betalen. De manier waarop die schrijver zijn woorden gekozen heeft en de manier waarop hij ze achter elkaar heeft gezet, worden op dat moment van ons allemaal. Ze zouden dat volgens mij dan ook letterlijk moeten zijn: wie dat wil, zou gratis zijn harde schijf moeten kunnen volstouwen met de prachtigste romans en dichtbundels van allang vergeten schrijvers.

De meeste letterkundigen bekeken dit alles jammer genoeg een beetje van uit de hoogte. In hun vakbladen verscheen af en toe een stukje maar dat was vaak nogal negatief van toon: het ging over de waardeloosheid van het materiaal dat er op Internet te vinden was en niet over de manier om daar wat aan te doen.

Gelukkig begint er langzaam maar zeker verandering in te komen. Ook op de universiteit wordt Internet geaccepteerd als een serieus publicatiemiddel. Het grote wetenschappelijke project komt eraan en daarmee is het einde van het Coster-project misschien in zicht. Maar aan de andere kant valt er nog genoeg te bouwen. De ideale stand van zaken is namelijk nog lang niet bereikt.

Die ideale stand van zaken is namelijk dat alles dat wie dan ook ooit in het Nederlands geschreven heeft via Internet gratis toegankelijk is: niet alleen alle snippers die we nog hebben van Hooft, Bredero, Bilderdijk, Multatuli en Guido Gezelle, maar ook van de schrijvers die hen zouden kunnen hebben beïnvloed, of die in dezelfde tijdschriften publiceerden als zij, of die door de keukenmeiden werden gelezen, of die wel door de keukenmeiden gelezen hadden willen worden, maar die het wegens gebrek aan talent nooit gelukt is door te breken bij het grote publiek. Alles wat iemand ooit op papier gezet heeft, is volgens mij de moeite waard om elektronisch te worden. Al die teksten wil ik kunnen lezen. Met één druk op de knop wil ik alle liefdesgedichten vinden die ooit voor een Martine geschreven zijn en alle verhalen waarin een jonge god voorkomt met de naam Robbie. Ik zeg niet dat ik vind dat iemand mij verplicht is deze dienst zo snel mogelijk te leveren. Ik zeg dat ik niet zal rusten voor dit doel bereikt is. Ik zou graag zien dat het er ooit komt en ik wil daar best zelf iets voor doen.

Taal van jaren her

De meeste medewerkers van het Coster-project zijn geen letterkundigen. Ik ben dat ook niet, ik ben in de eerste plaats taalkundige en van literaire taal houd ik mij in mijn dagelijks werk meestal ver. Ook voor mij was hartstochtelijke belangstelling voor de mooie dingen die de beste schrijvers met onze taal gedaan hebben, de belangrijkste reden om me in te laten met Laurens Jz. Coster. Daarnaast kan er wat mij betreft niet genoeg taal op Internet staan – vooral taal die ik begrijpen kan en die ook nog eens mooi, interessant of anderszins aantrekkelijk is.

De tijden van Coster, dat waren nog eens tijden, zou ik bijna zeggen, als die tijden niet ook nu voortduurden. Wie dat wil, kan nog steeds een pionier worden van de elektronische Nederlandse literatuur. Er zijn wel al meer initiatieven, die meestal betrekking hebben op een enkele bewonderde schrijver (Gerard Reve, bijvoorbeeld, of A. Alberts) of op de eigen schrijfsels van een groepje jonge schrijvers. Wie nu twintig is en schrijver wil worden, gaat natuurlijk geen blaadje meer stencilen. Zo iemand bouwt een weblocatie, zodat de hele wereld kan zien wat hij schrijft. Wat zou het trouwens mooi zijn als iemand eens de moeite nam om te proberen alle Nederlandstalige gedichten op Internet bij elkaar te sprokkelen, vooral ook de slechte, de puberachtige en de onbegrijpelijke. Een zoekmachine waarin je alle schoolkrantgedichten kunt doorzoeken, die zou ik graag willen hebben.

Maar vind ik het dan niet prettig om van papier te lezen? Jawel. Niemand kijkt voor zijn plezier in een flikkerende lichtbron, wat het beeldscherm nog steeds is, als hij dezelfde tekst ook in met de hand gespatieerde letters van rustig papier kan lezen. Wie tijdens een winteravond een bundel met korte verhalen wil lezen, grijpt eerder een ingebonden bundel dan naar zijn laptop. Maar ik wil niet alleen met boeken naast de open haard zitten, ik wil met die teksten ook iets doen: er stukjes uit kopiëren voor mijn privé-verzameling mooie alinea's, erin zoeken, een belangrijk hoofdstuk uitprinten om hem helemaal van aantekeningen te voorzien zonder mijn fraai gebonden band te bevuilen.

Daar komt bij dat sommige boeken inderdaad makkelijker van het beeldscherm te lezen zijn. Anders dan veel mensen denken, geldt dat niet alleen voor encyclopedieën, telefoonboeken en andere naslagwerken, maar voor alle schrijfsels die de vorm hebben van een `hypertekst'.

Hypertekst als een manier van denken

Wat is een hypertekst? In de eerste plaats is het de naam voor een techniek die wordt toegepast in pagina's op het Worldwide Web. Vrijwel elke pagina die u op het web kunt vinden, bevat een koppeling (een link), een verwijzing naar een andere pagina op Internet. De lezer kan op de koppeling klikken met zijn computermuis om die andere pagina op te roepen. Een tekst die bestaat uit een aantal op deze manier aan elkaar gekoppelde pagina's informatie, is een hypertekst.

Een hypertekst is een veel betere en effectievere manier om heel ingewikkelde en encyclopedische informatie op te schrijven, omdat de schrijver op elk willekeurig punt in de informatie kan verwijzen naar elk willekeurig ander punt. Op een pagina over honden kan hij verwijzen naar algemene informatie over huisdieren, naar informatie over labradors en naar informatie over hondentrainers. Op de algemene huisdierenpagina kan hij verder verwijzen naar informatie over dierenartsen en ook weer terugverwijzen naar de informatie over de hond. Zo maakt hij een snel netwerk van verwijzingen en terugverwijzingen, dat bijna even ingewikkeld is als de werkelijkheid die ermee beschreven wordt.

Omdat vrijwel elke informatiepagina op het Worldwide Web op deze manier gekoppeld is aan een of meer andere pagina's, is dat web te zien als één grote hypertekst. Maar hyperteksten bestaan al langer dan computers. Het bekendste voorbeeld in de Nederlandse literatuur is volgens mij het werk van Multatuli. Behalve het boek Max Havelaar en een toneelstuk, schreef hij zijn hele leven eigenlijk vooral een heleboel korte stukjes. De meeste van die stukjes verzamelde hij in een serie boeken en noemde hij Ideeën. Hij nummerde die ideeën en verwees in latere stukjes soms terug naar eerdere. In Idee 931 schreef hij dan ``Reeds in 219 gaf ik dit te kennen.'' Bovendien kon Multatuli het niet laten om als er een nieuwe druk van zijn boeken schreef, voetnoten te plaatsen waarin hij dan soms juist weer vooruitwees naar later werk. Bij Idee 17 schreef hij bijvoorbeeld: ``Die wens komt me nu kinderachtig voor. Zie 149, 150, 151, 152, 157.''

Het ging nog iets verder, want ook in Max Havelaar en andere werken verschenen dit soort voetnoten. Multatuli knoopte zijn gedachten aan elkaar op een manier die op papier moeilijk te volgen is: je zit al snel met een enorme stapel met dikke boeken op je schoot en gele briefjes om het heen- en weerbladeren te vergemakkelijken. Op het beeldscherm hoef je alleen maar te klikken om heen en weer te springen tussen alle gedachtelagen. Multatuli heeft zijn leven lang voor de computer geschreven.

De wereld is een hypertekst

Maar Multatuli was lang niet de enige die hypertekst in zijn werk stopte. Talloos zijn de schrijvers die in hun werk naar de bijbel verwezen hebben. Wie dat boek niet goed kent, zou zo'n verwijzing makkelijk moeten kunnen naslaan, zoals zo iemand ook de betekenis van ongebruikelijke woorden of spreekwoorden kan naslaan, of verwijzingen naar het werk van andere schrijvers. Daarom moet volgens mij uiteindelijk ook de hele Nederlandse literatuur ooit elektronisch worden: omdat de wereld een hypertekst is.

Ik ging naar Utrecht omdat Den Boer het meeste materiaal van de Coster-locatiee wilde overnemen. Dat kreeg hij, maar op de cd komt drie of vier keer zoveel te staan. Degene die dit schijfje koopt, krijgt in een keer meer literatuur op zijn computer dan er op papier in leesedities in de boekwinkel te vinden is. Dit wordt misschien wel de grootste Nederlandse tekstenverzameling die er ooit te koop is geweest.

Ik hoop ook een keer op een cd met echt fraaie edities. Maar voor het zover is, wil ik het de komende tien jaar nog wel met dit product doen. En zo komt de belangrijkste uitgave op dit vakgebied niet van enig academisch instituut, niet van een grote uitgever, maar van een appartementje aan de Oudegracht, waar een man die is afgestudeerd bij Algemene Letteren in zijn eentje tot stand brengt wat ons allemaal niet is gelukt: een aantrekkelijke cd maken over de Nederlandse literatuur, die straks hopelijk een groot publiek bereikt.