1. Ik heb een ideaal

Marc van Oostendorp

Hoofdstuk uit het boekje Computers en taal, oorspronkelijk verschenen bij Sdu, Den Haag, 1999.

Ik heb een ideaal: dat alles over de Nederlandse taal en literatuur op een dag op Internet staat. Ik houd van mijn taal en ik houd van onze literatuur. Ik zou willen dat ik alles wat ik erover weten wil, thuis op mijn eigen computerscherm kon lezen; dat ik mijn laptop maar hoefde aan te zetten en contact hoefde te zoeken met het netwerk om te weten wat er bijzonder is aan de zin Werk ze! Om te kunnen horen hoe het West-Stellingwerfs ook weer klinkt. Om een cursus moderne taalwetenschap te kunnen volgen en daarbij de honderd belangrijkste artikels die onze taalkundigen de afgelopen eeuw geschreven hebben, te kunnen lezen. Om de verzamelde werken van Vondel te kunnen doorzoeken op het woord `liefde', en daarna op te sporen wat de oudste vindplaats is voor dit woord in de Nederlandse literatuur. Om recensies te kunnen lezen van de nieuwe roman van Renate Dorrestein, plus op zijn minst een voorproefje van die roman zelf. Om die roman vervolgens te kunnen bestellen en een paar dagen later door de postbode aangereikt te krijgen. Om te kunnen opzoeken wat de Nederlandse vertaling is van het Duitse woord bedenkenlos.

Niets is gemakkelijker en niets is goedkoper via Internet te verspreiden dan woorden. Een omvangrijke roman als Max Havelaar kun je in een paar seconden van Nederland naar Australië versturen. Wie een openbare leeszaal op Internet bouwt, kan zo dus in één keer de hele wereld bedienen: ook de emigrantenzoon die zijn hele leven in de Verenigde Staten gewoond heeft en nu de taal van zijn roots wil leren kennen, en ook de Praagse studente die weleens wil weten hoe het nu eigenlijk zit met die ingewikkelde Nederlandse lidwoorden.

Feesten van Angst en Pijn

Een belangrijk deel van onze taal en onze literatuur is bovendien gratis, of zou dat in ieder geval moeten zijn. Op het moment dat een auteur zeventig jaar dood is, vervallen zijn auteursrechten: zijn boeken komen in het `publieke domein' en zijn voortaan van iedereen. Wie de moeite neemt de eerste druk van de dichtbundel Feesten van Angst en Pijn van Paul van Ostaijen in zijn geheel over te tikken, kan deze vervolgens in een boekje afdrukken en proberen te verkopen; maar hij kan de resultaten van zijn tikwerk ook op Internet plaatsen. Bovendien wordt veel werk aan onze taal en onze letterkunde gedaan door overheidsdienaren, door wetenschappers die op een universiteit werken en hun geld krijgen van de gemeenschap. Ik vind dat zij hun werk ook zoveel mogelijk in dienst moeten stellen van de gemeenschap – en dus van ons allemaal. De woordenboeken en de grammatica's die zij samenstellen, de leerboeken en de handboeken, de commentaren op literaire werken en de wetenschappelijke artikels die zij schrijven, zouden zij waar mogelijk vrijelijk ter beschikking moeten stellen aan iedereen die er kennis van wil nemen.

Een belangrijke eigenschap van elke menselijke taal is dat ze niets kost. Als ik wil beledigen, amuseren of verhelderen, beschik ik over een instrument waarmee ik dat allemaal gratis kan doen. Je hoefde al nooit tol te betalen om taal te gebruiken, behalve dan dat je de afgelopen eeuwen veel geld moest investeren om een grote groep medemensen te bereiken met een gedrukt boek, een film of een radio-uitzending. Door de komst van Internet kan ook die laatste financiële barrière worden geslecht: wie toegang heeft tot een Internet-aansluiting, kan iets op het net publiceren. Ik heb kennissen in Togo die elke week een uur fietsen om een Internet-computer te bereiken, waarvandaan ze wekelijks een privé-tijdschrift de wereld insturen via de elektronische post. Ik heb kennissen in Nederland én in Amerika die dat tijdschriftje graag lezen.

Er is nog wel een lange weg te gaan voordat de taal ook inderdaad gratis is, maar gelukkig zijn er mensen die mijn ideaal delen. En gelukkig is er de afgelopen jaren door sommige van die mensen een enthousiast begin gemaakt met de verwezenlijking van dat ideaal. Vooral de laatste jaren gaat het hard. Eind jaren tachtig was het nog niet eens mogelijk om over mijn ideaal te dromen – je had wel heel veel fantasie moeten hebben om te kunnen voorzien wat er stond te gebeuren – en in het midden van de jaren negentig deden veel mensen nog steeds nogal ironisch en sceptisch over de mogelijkheden van Internet. Het gepraat over de nieuwe mogelijkheden van elektronische publicatie werd afgedaan als een `hype' die `wel snel weer zou overwaaien', zodat we ons weer konden richten op de uitgave van gedrukte boeken en papieren tijdschriften.

Ik geloof dat de tijd voor die badinerende toon voorbij is. De zogenoemde `hype' zou nu toch inderdaad overgewaaid moeten zijn, maar de belangstelling voor Internet is alleen maar toegenomen.

Aan mijn ideaal wordt over de hele wereld gewerkt. Merkwaardig genoeg zijn het wel vrijwel altijd particulieren en bedrijven die dat werk uitvoeren. De overheid en de door de overheid gefinancierde instellingen voor onderzoek en onderwijs hebben het totnogtoe laten afweten. Om het Nederlands op het net lijken zij zich nauwelijks te bekommeren.

Infrastructuur

Vooral de overheid zélf is erg zuinig met haar informatie. De Nederlandse Taalunie is de overkoepelende overheidsinstelling van Nederland en Vlaanderen die alle taalpolitieke zaken voorbereidt. Zij is een Vlaams-Nederlands miniatuurministerie en daarmee de eerstverantwoordelijke voor de elektronische snelweg van onze taal. De Taalunie is onder andere verantwoordelijk voor het Groene Boekje, en ondersteunt tegenwoordig onder meer projecten die een `elektronische infrastructuur' van het Nederlands moeten bouwen: databanken en andere instrumenten die het gemakkelijker moeten maken om computers te produceren die Nederlands kunnen verstaan, lezen, schrijven en spreken (zie hoofdstuk 8). Nu heeft de Taalunie een eigen weblocatie en grootse plannen om deze weblocatie uit te bouwen. Maar voorlopig is de hoeveelheid informatie die ze aanbiedt gering: een paar brochures en een paar artikels uit haar eigen voorlichtingsblad. Niet eens: alle artikels. Niet eens: alle besluiten die men neemt over taal- en cultuurbeleid. De weblocatie van de Taalunie zou het trefpunt moeten zijn voor iedereen die belangstelling heeft voor onze taal. Die doelstelling is nog lang niet bereikt.

Toch is zorg voor taal van oudsher een collectieve verantwoordelijkheid. De Nederlandse en de Vlaamse overheid hebben jarenlang geld geïnvesteerd in hulpmiddelen voor sprekers van het Nederlands. Taalkundigen hebben – met gemeenschapsgeld – producten ontwikkeld zoals het Groene Boekje, de Algemene Nederlandse Spraakkunst en het Woordenboek der Nederlandsche Taal. Ik vind het jammer dat de overheid deze producten vervolgens naar commerciële uitgevers heeft gebracht. Zo is die informatie alleen beschikbaar voor degene die er veel geld voor wil neerleggen. Terwijl de taal volgens mij van ons allemaal is.

Ik vind dat de zojuist genoemde middelen niets zouden moeten kosten. Ik vind dat ze horen tot de openbare ruimte van een taal en een cultuur, die de overheid ter beschikking moet stellen aan de burger. Ik vind dat de overheid de plicht heeft ervoor te zorgen dat iedereen die dat wil toegang heeft tot de standaardtaal. Dat geldt zeker als de beschikbaarstelling de overheid maar weinig hoeft te kosten.

Wetten

Wat voor taal geldt, gold tot voor kort ook voor het wetboek. Iedere Nederlandse burger werd geacht de wet te kennen en hij betaalde ook belasting om degenen die de wet opstelden hun werk te laten doen. Maar diezelfde burger kon de door hem bekostigde wet alleen leren kennen uit publicaties van commerciële uitgevers. De overheid heeft niet al te lang geleden besloten een einde te maken aan deze stand van zaken. Zij zal voortaan zelf alle wetten gratis ter beschikking stellen aan de burgers van ons land. Het medium dat daarvoor gebruikt gaat worden, is Internet: het wereldwijde netwerk van computers waarop iedereen die dat wil informatie kan plaatsen en waarop vervolgens alle belangstellenden diezelfde informatie kunnen raadplegen. Dat lijkt mij inderdaad precies het juiste forum voor kennis die iedere burger geacht wordt te hebben.

Belangrijk is vooral dat het netwerk relatief goedkoop is. Het beheer van honderdduizenden pagina's tekst kost niet meer dan een paar duizend gulden per maand. Dat betekent dat een elektronische uitgave via Internet voor iemand die veel informatie te bieden heeft, relatief goedkoop is. Dat is een reden waarom de overheid het zich kan veroorloven om zich los te maken van commerciële uitgevers bij de publicatie van de wetboeken.

Liefdewerk

Wat met de wetten kan, moet volgens mij ook met taal kunnen. Het duidelijkste voorbeeld vind ik het Groene Boekje. De betrokken overheidsinstanties hebben er op z'n minst weinig aan gedaan om de indruk weg te nemen dat dit Groene Boekje voor de verantwoordelijke taalgebruiker kracht van wet heeft. Volgens mij hebben die instanties – zoals de Taalunie – dan ook de plicht dat boekje gratis ter beschikking te stellen. Dat geldt zowel voor de zogenaamde Leidraad, het voorwoord van het boekje waarin de regels worden uitgelegd, als voor de woordenlijst.

Maar de mensen die zo hard aan het Groene Boekje gewerkt hebben, moeten daar toch voor betaald worden? Het is waar dat we het bij belangrijke publicaties als deze moeilijk kunnen laten aankomen op liefdewerk oud papier. Zo'n boekje moet nu eenmaal met zorg bewerkt worden en een zo hoog mogelijk niveau hebben. Het is volgens mij ook helemaal niet nodig om het werk te laten doen door amateurs. Ik heb geen inzicht in de manier waarop de geldstromen bij dit project precies gelopen zijn, maar in ieder geval is de woordenlijst samengesteld door het Instituut voor Nederlandse Lexicologie in Leiden. Dat wordt voor zijn werkzaamheden betaald door de regering. De Leidraad is geschreven door iemand die een keurige betrekking heeft aan een Nederlandse universiteit en die dus ook betaald is door de overheid. Ongetwijfeld zijn er voor dit project allerlei gelden van de ene overheidsinstelling naar de andere geschoven, maar dat doet weinig af aan het feit dat al het geleverde werk gedaan is door mensen die er toch wel voor betaald zouden zijn. Zo hoort het natuurlijk ook. Als er één gemeenschappelijk eigendom is, dan is het wel de taal; als er iets uit gemeenschapsgelden mag worden betaald, is dat dus ook de taal.

Legitiem

Het Groene Boekje is een bestseller geworden, als drukwerk én op diskette, en dus zullen de uitgevers – Sdu/de Standaard – er zeker aan verdiend hebben. Dat is volkomen legitiem: zij zijn nu eenmaal commerciële bedrijven en staan in hun recht als ze geld willen verdienen aan hun werk. Het is alleen maar de vraag of de overheid een dergelijk project in de nabije toekomst nog moet uitbesteden aan een commercieel bedrijf. Volgens mij is dat met de komst van nieuwe media zoals Internet niet langer het geval.

Jawel, maar de meerderheid van de taalgebruikers heeft toch helemaal nog geen toegang tot dat Internet? Zij hebben toch ook recht op al deze informatie, en ze moeten die dan toch ook in een boek kunnen vinden? Dit lijkt mij geen bezwaar. Zolang er genoeg mensen zijn die belang stellen in de officiële woordenlijsten, zullen er uitgevers zijn die de elektronische bestanden van Internet willen halen om hen uit te geven. Als de markt van boekenkopers groot genoeg is, is er waarschijnlijk zelfs meer dan één bedrijf dat de woordenlijst wil publiceren. Deze bedrijven kunnen dan met elkaar concurreren wat betreft de prijs, de duidelijkheid en de aantrekkelijkheid van de vormgeving, en zo profiteert zelfs degene die geen Internet wil of kan gebruiken van deze hele gang van zaken. Als er geen monopolie is, kan de prijs waarschijnlijk best omlaag.

Softwarebedrijf

Het Groene Boekje is misschien het meest voor de hand liggende voorbeeld, maar ik heb meer wensen. Wie het imposante, pas enkele jaren geleden voltooide, Woordenboek der Nederlandsche Taal wil raadplegen, moet nog steeds enkele honderden guldens neertellen om een cd-rom te kopen. Ook de inhoud van dit elektronische Woordenboek is goeddeels met gemeenschapsgelden op het genoemde lexicografische instituut in Leiden gemaakt. Die cd-rom wordt door een commercieel softwarebedrijf gedistribueerd. Hij bevat nog niet eens de volledige versie van het woordenboek. Toen het schijfje gemaakt werd was de redactie van het papieren woordenboek namelijk niet verder gekomen dan de letter w. Of er een bijgewerkte en betaalbare versie komt, is nog niet duidelijk.

Er zijn meer voorbeelden. Op dit moment werkt een groep mensen aan de universiteit van Nijmegen aan een elektronische editie van de dikste grammatica van onze taal, de Algemene Nederlandse Spraakkunst. Wat hoop ik dat ik die nog eens via mijn eigen schootcomputer bereiken kan. Aan de universiteit in Tilburg wordt aan een Engelstalige wetenschappelijke (en nog veel dikkere) grammatica over onze taal gewerkt, en aan de universiteit van Wenen bouwt men aan een elektronische cursus zakelijk Nederlands voor Duitstaligen. Wat hoop ik dat een buitenlander die dat wil over een paar jaar met zelfstudie Nederlands kan leren.

Helaas zijn de meeste wetenschappers erg voorzichtig als het gaat over het delen van hun bevindingen over onze taal met derden: oei! Zo dadelijk lopen ze met mijn bevindingen weg! Ik vind dat jammer.

Er moet wel geïnvesteerd worden, maar het gaat niet om grote bedragen. De grootste investeringen zijn al gedaan, toen de inhoud van het Groene Boekje, de Algemene Nederlandse Spraakkunst, en al die andere uitgaven werd samengesteld. De overheid moet ervoor zorgen dat er een centraal punt komt, waar alle belangrijke documenten en databanken voor iedereen gratis toegankelijk zijn. Voor de wetboeken gaat de overheid dat ook doen; de taalproducten zouden hierbij kunnen worden gevoegd. De overheid moet ervoor zorgen dat al deze documenten zonder commerciële inmenging kunnen worden samengesteld en vervolgens onderhouden kunnen worden. Taal is te belangrijk om geld te kosten.

Particulier initiatief

Informatie over de Nederlandse en de Vlaamse taalpolitiek is er dus vooralsnog nauwelijks te vinden op Internet. Ook voor informatie over de nieuwe spelling kunt u veel beter ergens anders terecht dan bij de verantwoordelijke instanties. Er zijn tal van particulieren die een veel uitgebreider en inzichtelijker informatiepunt over de wijzigingen in de nieuwe spelling hebben opgezet. Een Nederlandse krant (de Volkskrant) en een Vlaamse (De Standaard) bieden allebei een dossier met artikelen over de spellingsperikelen. Toen de nieuwe spelling werd ingevoerd, stortte zich bovendien vrijwel onmiddellijk een groep vrijwilligers op de samenstelling van een eigen nieuwe woordenlijst, die gebruikt zou kunnen worden door spellingcontroleprogramma's van tekstverwerkers. Men ging uit van een al bestaande lijst, die gebaseerd was op een oude druk van het Groene Boekje, en iedere vrijwilliger nam een aantal bladzijden voor zijn rekening. (In hoofdstuk 19 staat een lijstje met verwijzingen naar nog meer weblocaties over spelling.)

Particulier initiatief is overal het sleutelwoord. Voor dit cahier heb ik onder andere de belangrijkste weblocaties over het Nederlands op een rij gezet. Daarbij viel me op dat bij de meeste van die weblocaties de overheid en de universiteiten helemaal niet betrokken zijn. Als we het van de reguliere, gesubsidieerde instellingen moesten hebben, was er voor de liefhebber van de Nederlandse taal vrijwel niets te beleven op de elektronische snelweg. De instellingen van wie je het meest zou verwachten, de vakgroepen Nederlands aan de universiteiten, zwijgen in alle talen. In Leiden laat men een paar dingen zien – de meeste documenten stammen uit 1995, toen er kennelijk kortstondig enig enthousiasme voor het nieuwe medium was – en in Groningen, in Utrecht en in Antwerpen zijn een paar enthousiaste individuen die in het klein iets maken wat je in het groot zou willen zien gebeuren (de adressen van alle in dit hoofdstuk genoemde weblocaties vindt u aan het eind van dit hoofdstuk). Een kleine groep neerlandici van verschillende universiteiten werkt bovendien sinds een paar jaar aan een elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek, Neder-L.

De best geoutilleerde vakgroep Nederlands is waarschijnlijk die in Wenen, die een zeer fraaie verzameling pagina's aanbiedt. Bij alle andere groepen mogen we bij wijze van spreken blij zijn als we kunnen lezen wat twee semesters geleden de spreekuren van de docenten waren. Meestal bevatten ze alleen een of twee homepages van enthousiaste medewerkers die iets vertellen over hun hond of hun verzameling cd's. Maar niets over taal of literatuur.

Rommelig en gezellig

Wat dat betreft doet het middelbaar onderwijs het net ietsje beter. Her en der hebben enthousiaste leraren Nederlands op hun eigen webpagina's, of op die van hun school, informatie verzameld waar leerlingen en andere geïnteresseerden iets aan hebben: de onvermijdelijke uittreksels van boeken, maar ook tips over de beste manier om een stuk te schrijven. Een paar jaar geleden begonnen een aantal enthousiaste leraren van een Haagse Daltonschool een `Digitale School'. De school heeft ook een 'vaklokaal' Nederlands, die rommelig en gezellig is, zoals het hoort. Het klaslokaal wordt beheerd door twee leraren, die al het benodigde werk in hun vrije tijd doen – en ook dat is weer een vorm van particulier initiatief, waaraan de officiële schooladviesdiensten en alle andere overheidsinstellingen nog lang niet toegekomen zijn.

Veel strakker en professioneler georganiseerd zijn natuurlijk de weblocaties van grote – zij het particuliere – taaladviseurs. Woordenboekuitgever Van Dale bijvoorbeeld biedt sinds bijna een jaar onder andere de mogelijkheid on line te zoeken in het woordenboek Hedendaags Nederlands en biedt daarnaast regelmatig spelletjes en taaltips.

Lezen

Wat voor taal geldt, geldt ook voor de literatuur. In Nederland opereert een Stichting Lezen, een gesubsidieerde stichting die de jeugd aan het lezen moet krijgen. Het web zou daar een mooi middel voor zijn, en deze stichting heeft dan ook een eigen weblocatie. Helaas is deze locatie wel professioneel vormgegeven, maar verder nogal saai. De voornaamste attractie wordt gevormd door een lijst met koppelingen – maar die lijst bevat maar weinig dingen die we niet al kunnen vinden op de lijst De Nederlandse Letteren die de Amsterdamse antiquaar Piet Wesselman bijhoudt, al zo ongeveer sinds het bestaan van een serieus Nederlandstalige deel van Internet.

De lijst van Wesselman was, tot hij een paar jaar geleden zelfstandig werd, te vinden op een weblocatie die `het Schrijversnet' heet. Dat was opgezet door de uitgevers van BulkBoek, de goedkope uitgaven van Nederlandse boeken – bekend werden vooral de uitgaven op krantenpapier – voor Nederlandse scholieren. Het Schrijversnet is fraai maar niet te overdadig vormgegeven, en heeft een eigen kleine redactie die wekelijks zorgt voor literair nieuws en enkele vaste rubrieken. Naar eigen zeggen heeft de literaire site ongeveer tienduizend bezoekers per maand.

Ook de andere, kleinere, projecten over Nederlandse literatuur op Internet zijn het gevolg van particulier initiatief. Zo zijn er literaire tijdschriften zoals de Opkamer, Writer's Block, de Brakke Hond en HeT en zo is er een groot archief van klassieke Nederlandse literatuur van Karel ende Elegast tot en met Paul van Ostaijen, vernoemd naar de vermeende Haarlemse uitvinder van de boekdrukkunst: het Project Laurens Jz. Coster (meer daarover in hoofdstuk 13).

Pas heel recent begint ook belangstelling voor Internet te ontstaan bij de academische wereld en bij de overheid. Een paar jaar geleden werd er in de vakbladen van de letterkundigen hooguit een beetje gesmaald over de mogelijkheden van Internet: de amateurs die het Project Laurens Jz. Coster droegen (en dragen), hadden vaak weinig tijd en geld om zich te bekreunen om een heel nauwkeurige editie; hun streven werd daarom met spot en hoon begroet. Er zaten foutjes in de teksten, letters werden verkeerd gelezen, woorden en in een enkel geval zelfs hele zinnen werden overgeslagen. De voetnoten en de inleidingen werden soms geschreven in een taal die de redactie van de gevestigde wetenschappelijke tijdschriften hun wenkbrauwen had doen fronsen. Dit alles zagen de academici als een bewijs voor de onbruikbaarheid van Internet, waarlangs alleen primitieve rommel verspreid werd. Deze critici zagen over het hoofd dat iedereen een elektronische tekst op zijn eigen computer kan binnenhalen en verbeteren en dat elke slechte elektronische tekst dus de basis kan zijn voor een goede.

De laatste jaren gaat het beter. Binnenkort gaat waarschijnlijk een groot wetenschappelijk project van start, dat elektronische versies van de Nederlandse literatuur moet gaan verspreiden. Ik hoop dat dit project heel succesvol wordt en ik hoop vooral dat het niet ten prooi valt aan het misverstand dat we dingen moeten maken die `verkocht' moeten worden aan de markt. Volgens mij moeten we dingen maken die geschonken worden aan de mensheid. (Zoals er nu een groep geleerden bezig is een nieuwe uitgebreide geschiedenis te schrijven van de Nederlandse literatuur: wat zou het mooi zijn als die op Internet kon staan, met verwijzingen naar de plaatsen op het net waar alle teksten daadwerkelijk gelezen konden worden!)

Dollartekens

Vijfduizend talen zijn er op de wereld. Volgens de Amerikaanse taalkundige Geoffrey Nunberg worden er daarvan ongeveer zestig gebruikt in de nieuwsgroepen op Internet: van het Tsjechisch tot en met het Swahili, en van het Hongaars tot en met het Esperanto. Ook het Nederlands behoort sinds jaar en dag bij de virtuele eredivisie van het taalgebruik. In onze taal verschijnen elke dag enkele honderden, zo niet duizenden, berichten op Internet.

Ook aan webpagina's in onze taal ontbreekt het niet. Ettelijke miljoenen pagina's moeten er al zijn: van grote en kleinere bedrijven, van particulieren, van non-profit-organisaties, en zelfs van de overheid. Maar vooralsnog beperken de meeste van deze pagina's zich tot informatie in het Nederlands. Naar informatie over onze taal, of over onze literatuur, moeten we nog met een lantaarn zoeken.

Terwijl vrijwel niemand nog ooit aan Internet verdient, schijnen de meeste mensen dollartekens te zien als ze aan webpagina's denken. Natuurlijk moet er brood op de plank komen. Maar ik geloof dat we ons tegelijkertijd ook moeten inspannen om de wereld te kunnen laten delen in wat we te bieden hebben: onze taal en onze cultuur.

Ik heb een ideaal en ik probeer aan de verwezenlijking ervan te werken. Aan een aantal van de initiatieven die ik hierboven noemde, werk ik mee. Ik ben wetenschapper, ik ben taalkundige en ik houd van mijn vak en van mijn onderwerp. Zóveel dat ik die liefde met zoveel mogelijk mensen wil delen. Omdat er een paar jaar geleden nog nauwelijks iets was, ben ik zelf maar begonnen. Ik bouwde bijvoorbeeld in 1995 het al genoemde Project Laurens Jz. Coster, omdat ik zelf graag zoveel mogelijk teksten bij elkaar had die ik met de computer gemakkelijk kon doorzoeken. In 1997 werd ik webredacteur bij Onze Taal en bij de elektronische nieuwsbrief voor de neerlandistiek Neder-L. In de zomer van 1999 kwam ik in dienst van het Meertens Instituut, een onderzoeksinstituut voor de Nederlandse taal en cultuur. Daar begon ik ook mee te bouwen aan een weblocatie. Voor Onze Taal maak ik onder andere een lijst met plaatsen op Internet waar informatie over het Nederlands kan worden gevonden. Die lijst groeit iedere week, want iedere week komen er nieuwe mensen die enthousiast worden en inzien wat je met Internet kunt doen. Iedere week wordt Internet goedkoper, groter, interessanter. Ik heb een ideaal en het komt steeds dichterbij.


Internet-adressen van in dit hoofdstuk genoemde weblocaties